Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
26 Jfuter en warmte.
gen. Op deze wijze kan men zich de op menigerlei wijze gebogene
buizen, welke tot chemisehe proeven gebruikt worden , gemakkelijk
verschaffen. Bij dikkere buizen gebruikt men eene lamp met dub-
belen luchtstroom, die eene veel sterkere hitte geeft, dan de een-
voudige spirituslamp. Het doorsnijden van glazen buizen geschiedt
met eene kleine driekante vijl. Men behoeft slechts op de be-
stemde plaats eene kleine streep over dwars met de vijl te doen,
en men kan dan de buis op deze plaats gemakkelijk doorbreken.
De meeste vaste ligchamen worden plotseling vloeibaar, gelijk
men bij het smelten van het ijs, lood enz. gemakkelijk kan zien.
31. Proef. Men zette een kopje vol sneeuw of ijs en een an-
der met een stuk kaarsvet op een warmen oven en steke van tijd
tot tijd een thermomether in de smeltende stoiïen. Men zal zien,
dat de thermomether in het eerste kopje op 0° C., in het laatste op
omstreeks 38° C. zoo lang blijft staan, als er nog ongesmolten
sneeuw of vet voorhanden is. Eerst nadat alles gesmolten is,
stijgt de temperatuur. Wij noemen den warmtegraad, waarbij
een ligchaam smelt, zijn smeltpunt. Het is zeer verschOlend, hier
boven, daar beneden het vriespunt, bij lood b. v. boven 300° C.,
bij zilver boven 1000° C.; vast kwikzilver smelt reeds bij 40°
onder nul. Plaatst men de beide kopjes gesmolten ijs en vet in de
koude, zoo bemerkt men, dat het kaarsvet zeer spoedig weder vast
wordt, omstreeks op +35°, maar het water eerst dan, wanneer
het tot omstreeks 0° bekoeld is. Het vast worden en bevriezen der
ligchamen geschiedt dus nagenoeg op dezelfde temperatuur, waarop
dezelfde ligchamen, wanneer zij vast zijn, vloeibaar worden of smelten.
Vele ligchamen, b. v. kool, heeft men tot hiertoe nog niet kun-
nen smelten, andere, b. v. wijngeest nog niet kunnen doen bevrie-
zen , het is evenwel zeer waarschijnlijk, dat, wanneer wij hoogere
graden van warmte en van koude leeren voortbrengen, wij het zoo
ver zullen brengen, ook deze vloeibaar en vast te maken. Eene
geheele klasse van ligchamen, namelijk bijna alle plantaardige en
dierlijke stoffen, kunnen door warmte niet gesmolten worden,
maar worden door haar ontleed, voor dat zij tot den vloeibaren
toestand zijn overgegaan.
32. Proef. Op de plaat van een warmen oven plaatse men
twee even groote bakjes, het eene met een pond sneeuw van 0°, het
ander met een pond water van 0°, en neme ze beide weg, wanneer
de sneeuw in het eerste bakje even gesmolten is. Alleen op het
gevoel reeds zal men bespeuren, dat het sneeuwwater koud ge-