Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Goud. 329
zoo is liet toch slechts zoo spaarzaam gezaaid en vordert zoo veel
arbeid om het uit de steenen of uit het zand, waarin het in zeer
geringe hoeveelheid voorkomt, af te scheiden, dat het daardoor
het duurste van onze metalen wordt. Het staat in waarde on-
geveer 15 maal hooger dan het zilver en 1 pond kan op ongeveer
750 gulden geschat worden. Zijne onveranderlijkheid, schoone
kleur, heerlijke glans en groote zwaarte hebben het tot het
edelste metaal, tot den koning der metalen gemaakt. Vroeger
beschouwde men het als het zinnebeeld van den koning der ster-
ren en noemde het Sol of zon. In rekbaarheid overtreft het nog
het zilver en men is in staat het tot de dunste plaatjes (goud-
schuim) uit te slaan, en uit 1 grein eenen draad van 250 el
lang te trekken. Daar het altijd gedegen in de natuur voor-
komt, en een zeer hoog specifiek gewigt heeft, laat het zich op
de eenvoudigste wijze uit het rivierzand of uit de fijngeslagen
ertsen of door water uitwasschen of door kwik uittrekken.
Zuiver goud is even als zuiver zilver vrij weck en zeei aan
afslijting onderhevig: men meugt het daarom bij de verwerking
tot munten en sieraden met metalen, die het harder maken; ge-
woonlijk met zilver en koper. Hierbij drukt men het goudgehalte
door het woord karatig uit, maar het daarbij staande getal heeft
niet, zoo als bij het zilver op IG, maar op 24 betrekking. Bij
het goud verdeelt men namelijk het mark (16 lood) in 24 deelen
of karaten. 18 Karatig goud beduidt dus een mengsel van 4 (18)
goud en 4 (6) andere metalen: 6 karatig een mengsel van .J. (6)
goud en 4 (18) zilver enz.
385. Om uit het vermengde goud weder fijn goud te verkrij-
gen, of om uit goudhoudend zilver het goud af te scheiden, kookt
men het met geconcentreerd zwavelzuur, hetgeen in ijzeren
ketels gedaan kan worden, daar sterk zwavelzuur het ijzer niet
oplost. Zilver en koper lossen zich onder vorming van zwavelig-
zuur op en het goud blijft als een bruin poeder over. Uit dc
zilveroplossing slaat men het zilver door koper neder en verkrijgt
als nevenproduct kopervitriool. Men noemt deze bewerking
affineren.
Vroeger loste men tot dit doel het goudhoudende zilver in
salpeterzuur op, waardoor het goud ook onopgelost achterblijft.
Men bemerkte hierbij het merkwaardige verschijnsel, dat het
zilver slechts dan volkomen opgelost werd, wanneer cr op i goud
ten minste 4 zilver voorhanden was: vau daar den naam kwart-