Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
328 Ztvcire metalen.
is. Het loodoxyde smelt in de hitte en vloeit gedeeltelijk als glit
door eene opening af, en trekt gedeeltelijk in de poreuse kalk-
en kleimassa, waarmede de oven bedekt is: het zilver, hetwelk niet
geoxydeerd wordt, blijft metallisch achter. Nog zuiverder wordt
het door het nog eens in kleine kapellen van klei te smelten;
deze laatste zuigen het overgeblevene loodglit geheel in (kapel-
of iijnzilver). Waren er tevens andere onedele metalen aanwezig,
zoo gaan hunne oxyden te gelijk met het loodglit weg: men kan
derhalve deze methode ook in het klein ter keuring vau zilver-
legeringen volgen (heete of kapelproef).
b. Zuiveringsproces (Saigerung). Ook vele kopcrertsen zijn
zilverhoudend en geven bij de reductie (364) een zilverhoudend
koper. Hieruit wordt het zilver door lood opgelost en uitgetrok-
ken, even als men koolzure potaseh uit houtasch door water op-
lost en uittrekt. Men smelt het namelijk als zwartkoper met
groote hoeveelheden lood te zamen, vormt uit de legering groote
metaalkoeken en plaatst deze met kool op eenen schuinsch geplaat-
sten haard. Worden de kolen dan aangestoken, zoo is de hitte
wel voldoende om het lood, maar niet om het koper te smelten:
liet lood vloeit er dus af en daarmede te gelijk het zilver, ter-
wijl het koper terug blijft. Het zoo verkregene zilverhoudende
lood wordt zoo als in a is opgegeven, op den drijfhaard in zilver
en in loodoxyde gescheiden.
c. Amalgamatieproces. Uit de ertsen, welke gedegen zilver
of zwavelzilver, maar geen lood bevatten, trekt men het zilver
door kwik uit. In dit geval echter moet het zwavelzilver eerst
in metallisch zilver veranderd worden. Dit geschiedt op de vol-
gende wijze. Men roost eerst de stukgeslagen ertsen met keu-
kenzout, daarbij ontstaat ehloorzilver en zwavelzure soda: dan
schudt men de gerooste ertsen in gesloten vaten langen tijd met
water, ijzer en kwikzilver; daarbij onstaat chloorijzer en metallisch
zilver, welk laatste zich in het kwik oplost, en uit deze oplos-
sing verkrijgt men door uitpersing een vast zilveramalgama, waar-
van men het kwikzilver geheel door destillatie verdrijft.
GOUD, Aumm (Au).
(Aeq. gew. = 1228. — Spec. gew. = 19,2.)
384. Ofschoon het goud door bijna allo landen verspreid is.