Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
lood. 299
Proeven met lood.
331. Proef. Men giete in een glas gedestilleerd water en in
een ander welwater en plaatst in beide een stuk lood : het gedes-
tilleerde water zal spoedig troebel worden, het welwater echter
niet. Zuiver water tast het lood ligt aan cn verandert het in
loodoxydehydraat, waarvan zich een klciue hoeveelheid oplost;
in het welwater daarentegen vormt zich langzamerhand door dc
zelden daarin ontbrekende zwavelzure zouten een weinig zwavel-
zuur loodoxyde, hetwelk zieh aan het lood hecht en zich niet
oplost. Hieruit verklaart zieh de onschadelijkheid der looden wa-
terpompen, die men in vele streken in plaats van houten ge-
bruikt. Tevens wordt hierdoor verklaard, waarom het regenwa-
ter , dat door looden goten wordt afgeleid, zoo gemakkelijk lood-
houdend wordt. Het regenwater is namelijk bijna zuiver water.
Echter wordt hier de oplossing van het lood door rottende orga-
nische stoffen, die zich in de goten bevinden, of door zure dam-
pen, die in de lucht voorkomen (Amsterdam), zeer begunstigd.
332. Proef. Wordt lood voor de blaasbuis in het buitenste
gedeelte der vlam verhit, zoo smelt het, ongeveer bij 320° en
bedekt zich met eene graauwe korst; eindelijk verandert het zelfs
geheel in een graauw poeder. Men beschouwt dit of als loodsub-
oxyde of als ccn mengsel van loodoxyde met lood. Door aanhou-
dend blazen verandert de graauwe kleur in geel; dit gele ligcliaam
is loodoxyde (PbO). In sterkere hitte smelt het oxyde en ver-
stijft bij bekoeling tot eene roodgele uit glanzende schubben za-
mengestelde massa, het bekende loodglit. Verhit men dit in dc
binnenste blaasbuisvlam, zoo verkrijgt men weder metallisch lood.
Deze gemakkelijke rcduceerbaarheid , die aan bijna alle loodzouten
eigen is, verbonden met het gele oxydebeslag op de kool , rondom
het metaalkorreltje , geeft een eenvoudig en zeker middel aan dc
hand, om een ligehaam op de aanwezigheid van lood te onder-
zoeken.
Het loodoxyde bevat op 100 deelen lood slechts 8 deden zuur-
stof , of op 1 acq. lood (1294) 1 acq. zuurstof (100); het lood
behoort derhalve tot dc metalen die een hoog aequivalcntgewigt
hebben, derhalve tot de zwakkere chemische ligehamen, daar 1294
pond van hetzelve slechts zoo veel zuurstof kunnen binden, als
350 pond ijzer of 400 pond zink. Als loodglit heeft het loodoxyde
eene uitgebreide aanwending in kunsten cn handwerken gevonden.
Hoe men loodglas (flintglas), loodglazuur cn loodsuiker daaruit