Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Specifiek gewigt. 21
cn ijs ligter, en ijzer en kwik zwaarder dan water, of, wat op
hetzelfde nederkomt: hoeveel malen is 100 in 80, in 90, in 750
cn in 1350 begrepen? Men deelt derhalve door het gewigt des
waters, door 100, en krijgt voor
80
spiritus-of in decimalen 0,80, dus | ligter dan water
100
90
ijs - // // » 0,90, // t « »
100
750
ijzer - ,, ,, u 7,50, » 71 maal zwaard, dan water
100
1350
kwik - „ „ „ 13,S0, »13i ir „ „ „
100
Deze getallen heeten specifiek gewigts-getaUen (sp. gew.) Vindt
men dus opgegeven, dat de wijngeest een specifiek gewigt heeft
van 0,80 , zoo wil dit zooveel zeggen als: 80 gewigtsdcelen (grei-
nen , looden enz.) nemen dezelfde ruimte in als 100 gewigtsdeelen
water, hij is dus maar ï zoo zwaar als, of, wat hetzelfde is,
i ligter dan water. Het specifiek gewigt van kwikzilver is 13,5 ;
dit beteekent dus: 13^ gewigtsdeelen kwikzilver nemen niet meer
ruimte in dan 1 gewigtsdeel water; het is dus 13i maal zwaarder
dan water.
24. Proef. Om het specifiek gewigt (de digtheid) eener vloei-
stof te vinden, tareert men een fleschje, vult het naauwkeurig met
water en weegt het weder. Men vindt alzoo het gewigt van het
daarin bevatte water. Nu giet men het water er uit, schenkt er
wijngeest of stroop , loog, bier enz. in, en onderzoekt met de
balans, hoe veel ge^vigtsdeelen van elk in het fleschje bevat zijn.
Dan deelt men, zoo als gezegd is , het gewigt van de andere voch-
ten , door het gewigt van het water. Het quotiënt toont het spe-
cifiek gewigt aan. Het is goed, een fleschje te gebruiken, dat
juist 1000 grein water bevat, daar men in dit geval de rekening
uitwint, dewijl het getal greiuen, welke het fleschje van eenige
vloeistof bevat, tevens het specifiek gewigt mtdrukt.
25. Proef. Men tareert op eene schaal een met water geheel