Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
IJzenoi'.ten. 2G9
kleur aannemen en een bruingeel ligebaam (ijzeroxydehydi-aat)
laten vallen. Alle overige ijzeroxydulezouten verhouden zich
evenzoo. Zij trekken namelijk zuurstof uit de lucht aan en -wor-
den langzamerhand oxydezouten; daar nu echter het aanwezige
zuur niet genoegzaam is, om al het oxyde op te lossen, omdat
het ijzeroxyde veel meer zuur ter oplossing behoeft, dan het ijzer-
oxydule , zoo valt er een gedeelte van het gevormde oxyde ne-
der. Deze regel is blijkbaar op alle metalen toepasselijk, die twee
oxydatietrappen hebben, welke in zamenstelling gelijkvormig zijn
met het ijzeroxydule en oxyde (PeO en Fe,O,), daar elk aequi-
valent der aldus zamengestelde oxyden 3 aequivalenten zuur vor-
deren, om een onzijdig zout te vormen (b. v. Fej0„3S03), terwijl
de oxydulen er slechts één behoeven. Uit de oplossingen der oxy-
dulezouten van deze metalen scheidt zich derhalve, wanneer zij
geen vrij zuur bevatten, altijd oxyde af, zoodra zij in oxyde-
zouten veranderd worden. Wil men in zulke gevallen eene heldere
oplossing hebben, zoo moet men cr zoo veel zuur bijgieten, als
ter wederoplossing van het afgescheiden oxyde noodig is.
b. Proef. 1 Lood ijzervitriool wordt met 3 lood water en
1 drachme zwavelzuur in een porceleinen schaaltje tot aan het
kookpunt verhit, én bij de oplossing salpeterzuur gedroppeld, tot
dat de gevormde inktachtige vloeistof eene helder gele kleur heeft
aangenomen: zij bevat nu zwavelzuur ijzeroxyde, hetwelk men
bewaart. De zuurstof van het salpeterzuur bewerkt hier snel het-
zelfde , hetwelk in de vorige proef door de zuurstof der lucht
langzaam gedaan werd , namelijk de oxydatie van het ijzeroxydule
tot oxyde. Het salpeterzuur geeft 3 aeq. zuurstof af, en wordt
derhalve stikstofoxyde (162), hetwelk de eigenschap bezit, zich
in eene oplossing van ijzervitriool met eene zwarte kleur op te
lossen. Bij het koken ontwijkt het en gaat door de zuurstof der
lucht onmiddelijk tot salpeterigzuur over, zoo als men aan de
gele dampen ziet, die gedurende de bewerking in de hoogte stijgen.
b*. Proef. Men overgiete in een reageerbuisje een paar stuk-
jes ijzervitriool met sterk zwavelzuur en late dan voorzigtig langs
den wand van het glaasje één droppel, verdund salpeterzuur tot
het mengsel komen. Na eenige oogeublikken zal men de kristal-
len op enkele punten eene donkerbruine kleur zien aaanemen.
Deze proef is zoo gevoelig, dat men haar in de scheikunde dik-
wijls aanwendt, om de aanwezigheid van salpeterzuur op tc
sporen.