Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
264 '/ware meialen.
het witte daarentegen is zilverwit, van een bladerig of stralig
weefsel (spiegelijzer) en zoo hard, dat stalen werktuigen het niet
aantasten. Door omsmelting en zeer langzame afkoeling kan men
het witte ruwe ijzer in graauw, door hevige verhittingen snelle
afkoeling daarentegen het graauwe tot wit maken. Het graauwe
ruwijzer is het meest gesehikt voor de gieterijen, het witte ter
bereiding van smeedijzer en staal.
280. Smeedijzer of staafijzer. Ontneemt men de kool aan liet
ruwijzer, zoo wordt het smeedijzer en heeft dan de navolgende
zeer gewigtige eigenschappen :
a. Het is zeer rekbaar en taai, zoodat het tot blik uitgeslagen
en tot zeer fijne draden kan uitgetrokken worden (ruwijzer niet).
b. Het wordt in de gloeihitte , voor dat het smelt, week, even
als was en glas, zoodat twee gloeijende stukken te zamen geha-
merd kunnen worden: het laat zich wellen (lasschen). Deze
eigenschap heeft het ijzer onder alle metalen slechts nog met het
platina gemeen; de overigen worden plotseling vloeibaar, zonder
eerst week te worden, even als het ijs, wanneer het ontdooit.
c. Het is week genoeg, om met stalen instrumenten bearbeid
te worden, en wordt ook niet. harder, wanneer men het gloeijend
door indompeling in water afkoelt (staal wordt daardoor broos).
d. Het smeedijzer onderscheidt zich verder nog van het ruw-
ijzer door zijn draderig of vezelachtig weefsel, waardoor het uit
louter met elkander vergroeide draden schijnt te bestaan, terwijl
ruwijzer het aanzien heeft als ware het eene uit ijzerkorreltjes te
zamen gebakken massa. Opmerkenswaardig is het eehter, dat door
aanhoudend slaan of wrijven, b. v. bij de wagenassen, het dra-
derige smeedijzer langzamerhand korrelig en te gelijk breukig
wordt: wij zien hieruit, dat ook in vaste ligchamen de atomen
hare stelling tegenover elkander kunnen veranderen, hetwelk men
vroeger alleen bij vloeibare voor mogelijk hield. Door uitgloeijen
en omsmeden erlangt zulk ijzer zijne vroegere sterkte en buig-
zaamheid en tegelijk het draderige weefsel terug.
Geheel vrij van kool is het smeedijzer niet, maar het bevat
nog slechts op 1 centenaar 4—pond daarvan. Volkomen koolvrij
ijzer is nog weeker en taaijer dan staafijzer; men ziet derhalve,
dat de kool in het ijzer deze beide eigenschappen vernietigt, wanneer
zij zich chemisch daarmede verbindt, zoo als in het ruwijzer.
281. IJzer frisschen. De wijze , waarop men de kool \iit het
ijzer verwijdert, is zeer eenvoudig: men verbrandt haar name-