Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Uitzetting en thermomether.
19
Proef. Eene kolf wordt evenzoo ingerigt, als voor de proef in
Pig. 8. § IG, maar men doorboort de kurk nog eens,
om door deze opening een cyUnder-tliermo-
mether (a) in de vloeistof te brengen en daar-
door hare temperatuur te bepalen. Men doet
er ook iets meer water in, zoodat dit de buis
(Ä) tot boven toe vidt. Aan deze buis heeht
men door middel van was een reepje papier,
waarop men den stand van het water door een
streepje kan aanteekenen, wanneer de thermo-
mether een graad gedaald is, en zet dan het
geheel in een' pot met sneeuw. Onder het
afkoelen daalt het water in de buis en wel
zoo laag, tot de thermomether 4° C. aanwijst.
Bij sterkere afkoeling daalt het water echter
niet verder, zoo als men zoude vermoeden,
jnaar het begint integendeel weder te rijzen en zet zich zoo lang
uit, tot het begint te bevriezen. Bij O" heeft het juist dezelfde
hoogte weder, die het bij S° had. Het water is diensvolgens op
het zwaarste of digtste; bij alle andere vloeistoffen neemt de
digtheid gelijkmatig met de afkoeling toe.
22. Zoo weinig van beteekenis deze onregelmatigheid op den
eersten aanblik ook schijnen moge, zoo hoog moet zij ons tot
bewondering stemmen, wanneer wij op hare gevolgen letten.
Zonder deze uitzondering zoude ons vaderland het klimaat van
Groenland hebben. Het kouder worden van onze wateren bij den
aanvang van den winter geschiedt hoofdzakelijk door de koude
lucht, derhalve van boven; het kouder geworden water is zwaar-
der, het zinkt bij gevolg naar den bodem en het warmere water
van beneden neemt deszelfs plaats in , hetgeen op zijne beurt weder
afgekoeld wordt en nederdaalt. Werd nu het water tot aan het
vriespunt voortdurend digter, zoo moest deze circulatie aanhouden,
tot al het water tot op den bodem toe 0° bereikt had, en eenige
koude dagen zouden dan toereikend zijn om zeeën en rivieren tot
op den bodem in ijs te veranderen. Dit geschiedt echter niet, dewijl
de gezegde omloop en met dezen dc bekoeling van het dieper
gelegen water dan ophoudt, wanneer de temperatuur tot op
C. gedaald is , daar het nu nog kouder wordende water ligter is
en boven blijft. Het bevriezen kan dus slechts aan de oppervlakte
geschieden en de gevormde ijskorst slechts allengs dikker worden.
3*