Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
18 Jfuter en warmte.
voorzigtig met een scherpe vijl rond. Men kan zich op deze wijze
uit gewone medicijn- of eau de cologne-, ja zelfs uit grootere
wijnflesschen gemakkelijk glazen klokken vervaardigen, welke tot
liet opvangen van luchtsoorten, tot oplossen, praeeipiteren en
andere chemische verrigtingen zeer goed kunnen dienen.
Dat twee ligchamen warm worden, wanneer men ze schielijk
tegen elkander wrijft, is genoeg bekend. Ieder heeft toch wel eens
ondervonden, dat men de handen branden kan, wanneer men zich
snel langs een touw of stang neder laat [glijden, of gezien, hoe
een wagenrad door de snelle beweging heet wordt, wanneer het
niet goed ingesmeerd is. Het snelle heen en weder trekken van
het touw om het glas brengt ook hier eene zoodanige hitte voort,
dat het glas op de plaats, waar de wrijving geschiedt, zeer heet
wordt en het touw eindelijk branderig riekt en breekt. Met deze
verhitting gaat natuurlijk uitzetting van het glas gepaard. Wordt
nu deze plaats door het opgieten van. koud water van buiten
schielijk afgekoeld, zoo moeten de uitgezette glasdeeltjes zich snel
weder zamen trekken, en dit zamentrekken geschiedt aan de bin-
tenste oppervlakte zoo spoedig, dat de niet zoo snel afgekoelde
deelen aan de binnenzijde niet volgen kunnen; het glas barst dus
en wel des te ligter, hoe dikker het is. Bij eene langzame be-
koeling heeft het barsten niet plaats.
Hieruit zijn twee leeringen te trekken : dat glas- en porcelein
vaatwerk, dat tot koken moet gebruikt worden, b. v. kolven,
retorten , schalen enz., dunne wanden vooral aan den bodem moe-
ten hebben, en dat men ze bij het gebruik altijd slechts lang-
zaam verwarmen en langzaam afkoelen moet.
Het vem-armen van glas door zagen met een touw geeft den
chemist en apotheker ook een zeer eenvoudig middel aan de hand,
om glazen flesschen te openen, wanneer, zoo als dikwerf gebeurt,
de glazen stoppen zoo vast in den hals zitten, dat men ze door
draaijen noch kloppen er uit kan krijgen. Men behoeft slechts
een dik bindtouw om den hals te leggen en dit zoo lang te zagen,
tot de opening zich zoo ver heeft uitgezet, dat de stop los wordt.
De uitzetting der vaste ligchamen is evenzeer verschillend als
die van de vloeistoffen en in alle gevallen veel geringer dan die
van deze laatsten; het grootst is zij bij de metalen.
31. Uitzetting door koude. Eene merkwaardige uitzondering op
de algemeene wet, dat de warmte uitzet, de koude zamentrekt,
komt bij het water voor.