Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Vitzetiwg en thermomether.
17
om een rad gelegd, drukt bij het bekoelen vast om het hout en
houdt het rad met groote kracht te zamen; eene ijzeren bout, die
gloeijend zijnde juist in een rond gat past, vult dit, als zij be-
koeld is, niet meer, maar laat zich daarin heen en weder bewe-
gen. Beide, de ijzeren band en de bout, zijn door het bekoelen
kleiner geworden. Dit grooter worden door verwarming en kleiner
worden door bekoeling, toont ons duidelijk, dat ook de vaste
ligchamen door de warmte uitgezet worden , door onttrekking van
warmte inkrimpen. Vele verschijnselen nit het dagelijksehe leven
verkrijgen daardoor een eenvoudige verklaring. Onze hangklokken
loopen in den winter voor, in den zomer na, daar de slinger in
den zomer langer wordt en dan langzamer slingert, terwijl hij
door de winterkoude verkort wordt en sneller slingert; eene piano
krijgt in eene koude kamer een hoogeren toon dan in eene warme,
dewijl de snaren zich in de koude zamentrekken, dus korter en
daardoor sterker gespannen worden; een in den muur geslagen
spijker wordt met den tijd los, omdat het ijzer zich des zomers
sterker uitzet en des winters sterker inkrimpt dan steen of hout,
en op deze wijze de opening allengs verwijdt. Om deze reden
mogen de ijzeren rails op de spoorwegen niet digt tegen elkander
gelegd, stoombuizen niet vast ingemetseld; zinkplaten of daken
niet aanéén gespijkerd , maar moeten gevouwen worden, opdat zij
bij verandering van temperatuur zich zonder te barsten kunnen
zamentrekken en zonder hol te gaan staan zich kunnen uitzetten.
Brooze ligchamen, b. v. glas of porcclein, kunnen door eene
plotselinge verwarming of verkoeling ligt zoo ongelijkmatig uitge-
zet of zamengetrokken worden , dat zij springen.
Troef. Men omwikkelt eene flesch, op twee nabij elkander ge-
Kg. 7.
legene plaatsen zoo lang met reepjes pa-
pier , tot er twee kleine verhevenheden
ö en Ä ontstaan zijn , waar tusschen zich
eene sleuf bevindt ongeveer ter breedte
van eene penneschaeht. Deze twee papie-
ren verhevenheden worden meteen touwtje
vast gebonden, zoodat zij niet kunnen
verschuiven. In de sleuf wordt nu een
touw om het glas geslagen en zoo lang snel heen en weder getrok-
ken , tot het glas zeer heet geworden is. Giet men nu schielijk
koud water in de sleuf, zoo springt het glas op deze plaats van
een, als of het doorgesneden was. De scherpe randen maakt men