Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
236 Ligie Metalen.
van, het echte (Chinesche, Saksische) eu het Engelsche en Tran-
sche porcelein.
b) Halfporcelein. Uit de zuiverste soorten van gewone klei
vervaardigd, die tot aan het sineltingspunt gegloeid wordt. De
gewone soorten, het zoogenaamd Keulsch aardewerk, de Jacoba-
kannetjes enz. zijn meestal met keukenzout geglazuurd, de fijnere
soorten, waartoe het echte Wedgewood behoort, zijn veelal kunst-
matig gekleurd en dan niet geglazuurd.
c) Fayenee. Uit gewone weinig of geen ijzerhoudende klei,
zoodat zij bij het branden niet gekleurd wordt. Tot de fijnere
soorten behooren het Engelseh steengoed (zoogenaamd Wedgewood)
en het saniteitsgoed, welke met een loodglazuur zijn overtogen;
verder de Goudsche pijpen, en de poreuze potten, die in warme
streken onder den naam van Alcarazza's gebruikt worden, om
drinkwater koel te houden ; deze beide laatste soorten zijn niet
geglazuurd. Onder het gewone fayence rekent men de tigchel-
steenen, het Delfsch aardewerk, de zoogenaamde porceleinen kag-
chels enz.; de laatsten zijn met een door tinoxyde melkwit ge-
maakt (geëmailleerd) glazuur overtogen.
d) Aardewerk. Wordt uit, de gewone bijna overal voorko-
mende pottebakkersklei vervaardigd. De fijnste soorten daarvan
zijn het Engelseh aardewerk en het Yictoriagoed, terwijl tot de
gewone soorten behooren: de pottebakkerswaren, vloerbakkcn,
gewoon aardewerk, bloempotten, baksteeneu en klinkers, dak-
pannen enz.; voor zoo ver zij geglazuurd zijn, zijn zij met een
ioodglas bedekt. Ook de hessische kroezen, uit ruwe leem zonder
glazuur vervaardigd, en de Chamottestcenen, die het bouwma-
teriaal voor ovens leveren, behooren hiertoe.
Als kleuren ter versiering van het aardewerk kunnen slechts
smeltkleurcn (metaaloxyden) gebruikt worden, even als bij het
glas.
Zamenstelling der klei.
258. Troef. Een stuk witte klei wordt goed gedroogd cn dan
eenige uren sterk verhit, hetwelk het eenvoudigst op dc plaat
van eenen brandenden oven geschiedt: hiervan worden dand lood
fijngewreven, in een potje van aardewerk met 2 lood zwavelzuur
en 2 lood water overgoten en eenige weken op eene warme plaats
gezet. De brijachtige massa wordt gedurende dezen tijd dikwijls
met ccn glasstaafje omgeroerd, ten laatste met 12 lood kokend
Tyatcr verdund en door linnen gefiltreerd. Hetgeen tcrugblijft,
I'
—^