Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Aluminium. 235
ademt, en waardoor men ligt onderkennen kau, of in eenen steen
of eene aardsoort klei berat is of niet. Daar water , koolzuur
en ammonia de gewigtigste voedingstoffen voor de planten zijn ,
is het gemakkelijk in te zien, dat de leem ook daardoor de vrucht-
baarheid der velden vermeerdert, dat zij deze stoffen uit de lucht
aantrekt. In zeer hoogen graad werkzaam is in het bijzonder de
leem, die lange jaren met de lucht in aanraking is geweest, om-
dat zich daarin, ten gevolge vau langzame verweering, oplosbare
kalk- en potaschzouten (salpeter, enz.) gevormd hebben. Daarom
schatten ervarene landhuishoudkundigen het leem bevattende puin
van oude gebouwen als een voortreffelijk bemestingsmiddel. Eene
dergelijke verandering ondergaat de leem ook bij zachte bran-
ding (258).
Proef. Roert men onder een aftreksel van campèche-hout (174)
een weinig klei, zoo zal na eenige uren de klei violet, en de
vloeistof zelve veel lichter van kleur wezen. Klei heeft de eigen-
schap kleurstoffen tot zich te trekken en onoplosbaar te maken.
Even zoo bemerkt men, dat eene vetvlek op hout of papier ver-
dwijnt, wanneer men haar met een kleibrij bestrijkt.
Gebrand aardewerk.
257. De plastische eigenschappen der klei, verbonden met die,
van in het vuur hard te worden, maken haar bijzonder geschikt
ter vervaardiging van aarden voorwerpen. De wijze van berei-
ding komijt daarop neer , dat de, door wassehen en kneden meer
of min gereinigde klei of uit de vrije hand, of door ze in vor-
men te di-ukken, tot voorwerpen van allerlei aard verarbeid
wordt, welke men eerst luehtdroog laat worden cn dan iu eenen
vlamoven zoo lang gloeit, tot dat zij steenachtig geworden zijn.
Zij verkrijgen daardoor eene zeer groote hardheid, maar blijven
nog zoo poreus, dat zij water inzuigen en laten doorzweeten. Men
verhelpt dit gebrek, door ze te overtrekken met eene glasachtige
korst, het glazuur, hetwelk uit dezelfde bestanddeelen bestaat
als het glas (226). De gewigtigste soorten van deze voortbreng-
selen zijn :
a) Porcelein. Hiertoe wordt de fijnste cn zuiverste klcisoort
(kaolin, porceleinaarde) gebezigd , die onder toevoeging van veld-
Spaath aan eene zoo hooge hitte wordt blootgesteld, dat de massa
half gesmolten is , zoodat het porcelein op de breuk glasachtig
is, en ook even als het glas bij het aanslaan helder klinkt en
doorschijnend is. Men onderscheidt er voornamelijk twee soorten