Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Alumhdum. 233
zand te onderzoeken, wrijve men een lood daarvan in een' mor-
tier met een weinig water zoodanig te zamen, totdat er eene
gelijkvormige brij ontstaan is. Deze verdunt men dan nog met
Tig. 133. ^'^ter en giet de troebele vloeistof in een hoog
glas: hetgeen in den mortier terug blijft, wordt met
water uitgespoeld. Bij het rustig staan zetten zich
de zwevende aarddeeltjes volgens hun specifiek gewigt
neder, eerst het grove zand , dan het fijne en ein-
delijk de klei of leem en uit de verschillende hoogte
der klei- en zandlagen kan men reeds eenigermate
tot hare hoeveelheid besluiten. Juister vindt men
deze, wanneer men het bezinksel weder omroert en
zoodra het zand op den bodem gezonken is, de troebele vloeistof
in een ander glas overgiet, echter met die voorzorg, dat er van
het zand, dat wegens zijne grootere zwaarte vroeger zinkt,
niets mede afvloeije. Hetgeen overblijft, wordt weder met water
aangeroerd en afgegoten, en dit op- en afgieten zoo lang her-
haald, totdat alle leem uit het zand uitgewasschen is. Bij het
Kg. 134. afgieten houdt men een staafje aan den rand
van het glas, opdat er niet een deel van de
vloeistof aan den buitensten wand van hetzelve
afvloeije en zoo verloren gaat, of men bestrijkt
den rand van het glas met een weinig vet,
waardoor de adhaesie der vloeistof aan het glas
insgelijks weggenomen wordt. Het zand wordt
gedroogd en gewogen , wat het minder weegt
dan 1 lood, is als leem in rekening te brengen.
Deze bewerking, waardoor men ligte ligcha-
men van zwaardere scheidt, heet wasschen of slibben. Zij wordt
in het bijzonder bij de bergwerken aangewend, om het fijne erts-
poeder van de bijgemengde ligtere steen- en aarddeelen te be-
vrijden.
255. Als een derde zeer gewigtig bestanddeel der tuinaarde
moet men het krijt beschouwen (237), hetwelk men op de vol-
gende wijze bepaalt :
Froef. 1 lood gedroogde tuinaarde wordt in eene ruime kolf
met 6 lood water en dan langzamerhand met 1 lood zoutzuur over-
goten en eenige uren op eene warme plaats gezet. Wanneer het
bruisen opgehouden heeft, giet men de vloeistof op een filtrum en
spoelt kolf cn filtrum met eenige looden warm water uit. Dc doorge-