Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
232 Ligte Tiietalen.
(witte bolus), in een ander 1 lood zand, overgiete beide met
water en wege ze, wanneer er geen water meer afdroppelt : de
klei zal ongeveer 4 lood, het zand slechts ^ lood meer wegen.
Was het zand grof, zoo zal zijne toename in gewigt nog onbe-
duidender zijn. De klei is in water onoplosbaar, maar kan, even
als zwam, zeer veel daarvan inzuigen en terug houden; zij heeft,
zoo als men gewoonlijk zegt, eene groote waterhoudende kracht.
Ten gevolge dezer eigenschap laat zij het water ook langzamer
weder los, dan het zand, gelijk men ligt bemerken kan, wanneer
men beide filtra op eene warme plaats te droogen legt. Verder
onderscheiden zich deze beide aardsoorten na het droogen daar-
door, dat de klei vaste, harde klompen vormt, het zand echter
een los , korrelig poeder.
Bestanddeelen der tuinaarde.
253. Klei of leem en zand maken de hoofdbestanddeelen van
ons bouwland uit; de kennis hunner eigenschappen is derhalve
voor den landhuishoudkundige van het grootste belang, dewijl hij
daardoor in staat is, zich van de verschillende gesteldheid van
den bodem bij droog of bij nat weder , bij koude of bij hitte,
rekenschap te geven. Een alleen uit klei bestaande bodem is ge-
heel onvruchtbaar, en even zoo een zuivere zandgrond , men heeft
echter eene zeer vruchtbare aarde, wanneer deze beide met elkan-
der vermengd zijn. De klei- of vette bodem is te vast en te
zwaar (te zeer gebonden), dan dat de wortels, vooral van kleine
planten, zich genoegzaam zouden kunnen uitbreiden, en is daar-
enboven te digt om vrijen luchttoegang te veroorlooven. Daar-
enboven wordt hij bij korte regenbuijen waterhard, d, i. verkrijgt
aan de oppervlakte eene taaije korst, die het verder indringen
van het water belet; bij aanhoudenden regen wordt hij modderig
en laat dan het water slechts moeijelijk weder verdampen, en
blijft dus lang nat en koud. De zand- of magere bodem heeft
de tegenovergestelde gebreken, heeft te weinig zamenhang en is
te poreus; de wortels der planten worden dus niet genoeg vast
gehouden, maar door den wind opgeheven en weggevoerd , het
regenwater dringt te diep in en verdampt weder te snel. Deze
eigenschappen noemt men de physische of uitwendige gestel dlieid
van een bodem en men begrijpt nu ligtelijk, dat een zware klei-
bodem door vermenging met zand, een te ligte zandbodem door
toevoer van klei of leem wezenlijk verbeterd kan worden.
254. Fror/. Om eene aardsoort op haar gehalte van leem cn