Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
ii-l Ligte metalen.
om de Laren los te maken , zoodat zij er zich afdrijven laten.
In de landhuisLondkunde wordt geleerd, dat men het onkruid ,
met kalk vennengd, op hoopen moet stapelen, omdat daardoor
dc ontbinding der plantendeelen zeer bespoedigd wordt. Geheel
verkeerd daarentegen is het, om de reeds verrotte mest met kalk
te vermengen, want daarin zijn ammoniazouten voorhanden,
welker ammonia door den kalk uitgedreven wordt en die alzoo
hunne werkzaamheid verliezen.
Vele planten b. v. erwten, klaver, tabak, groeijen slechts dan
krachtig, wanneer zij in den bodem kalk aantreffen. Verbrandt
men zulke planten, zoo vindt men altijd , waar zij ook gegroeid
zijn, in de asch meer dan voor de helft kalkzouten. Wij noemen
zulke planten kalkplanten, en moeten uit deze twee daadzaken
besluiten, dat de kalk tot het leven van vele planten, even als
het keukenzout voor dat der dieren, onontbeerlijk is. De land-
huishoudkundigen hebben derhalve in den kalk een voortreffelijk
bemestiugsmiddel voor velden , waar het aan kalk ontbreekt.
Proef. Men losse een weinig zeep in water op en giete er
wat kalkwater bij; de vloeistof wordt troebel en er zetten zich
witte vlokken af, die, tusschen de vingers gewreven, kleverig
worden. Hetzeifde bemerkt men , wanneer men zieh met zeep en
kalkwater wascht: de zeep schuimt niet en reinigt niet. Kalk-
houdend, zoogenaamd hard water , kan derhalve niet tot wasschen
aangewend worden. De kleverige massa, die zich afgescheiden
heeft, is kalkzeep, eene verbinding van het in de zeep voorhanden
vetzuur met kalk. Potaseh- en sodazeep waren oplosbaar in wa-
ter , kalkzeep is onoplosbaar.
De bijtende kalk is eene verbinding van zuurstof met een me-
taal , dat den naam Calcium (Ca) verkregen heeft; hij kan dus
ook calciumoxyde genoemd worden (CaO). Kalk is na de alka-
liën eene der sterkste bases.
Gips of zwavelzure kalk (CaO,SO,4-2HO).
241. Het bij vroegere proeven (164,176) verkregene gips wordt
in een ijzeren schaaltje onder omroeren zoo lang zacht verhit, tot
dat er geene dampen meer uit ontwijken; het zal alsdan ligter
wezen dan vroeger, en heet dan gebrande gips. Het verlies aan
gewigt bestaat in het kristalwater, hetwelk door de hitte uit-
gedreven wordt. Daartoe is reeds eene temperatuur van 120®
voldoende.
Proef. Men wikkele om den rand van eenen gulden een reepje