Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
218 Ligte mdaleii.
plaatsen met vet of vernis en giet men er dan een zuur, liefst
verdund zoutzuur op, zoo lost zich de kalk slechts daar op,
waar hij vrij gebleven is, niet op de vette plaatsen, welke dus
hooger blijven. Wordt een zoo gepraepareerde steen met drukinkt
bestreken, zoo hecht zich deze slechts op de hoogere plaatsen en
laat zich van daar op papier afdrukken. Zoo gaat men bij de
steendrukkerij te werk. De hiertoe geschikte kalksteenen heeten
lithoghraphische steenen.
Froef, Men blaze door eene bids lucht in kalkwater, er ont-
staat een nederslag van koolzuren kalk (zie fig, 77) > men blaze
voort en het nederslag zal zich grootendeels wederom oplossen.
Het koolzuur slaat eerst den kalk neder, en lost hem daarna
weder op. De koolzure kalk is geheel onoplosbaar in water , maar
oplosbaar in koolzuur bevattend water. De helft der vloeistof late
men aan de lucht staan, de troebelheid vermeerder^, langzaam en
er zet zich koolzure kalk af; de andere helft wordt in een rea-
geerbuisje gekookt: men ziet gasbellen van koolzuur ontwijken en
de koolzure kalk wordt snel afgescheiden. Wat hier in het klein
geschiedt, heeft in dc natuur menigmaal in het groot plaats. In
iederen bodem , waar organische stoffen verrotten , vindt het door-
zijpelende water koolzuur, van daar dat alle bronwater koolzuur
bevat; in de meeste aard- en steensoorten vindt het gevormde
koolzure water koolzuren kalk, waarvan het iets oplost, en zoo
bevat bijna al het bronwater koolzuren kalk (hard water). Vloeit
dit water in beeken verder, zoo ontwijkt het koolzuur weder en
de koolzure kalk zet zich weder af: men noeme het kalkvrije water
nu zacht water. Hetzelfde geschiedt, wanneer kalkhoudend water
bij het doorzijpelen door aardlagen of rotsspleten holle ruimten
aantreft, hierin scheidt zich de koolzure kalk dikwijls steen-
achtig af, en heet dan druipsteen. In kelders en onder bruggen
vindt men niet zelden de wanden met eene korst van druipsteen
bedekt. De zich uit het Garisbader water afzettende bronsteen
(Sprudelstein) is eveneens koolzure kalk. Kookt men hard water,
zoo moet de koolzure kalk ook nedervallen; dit geschiedt vooral
daar, waar groote hoeveelheden water verdampen, b. v. in stoom-
ketels (ketelsteen). Bij het koken van erwten of boonen in hard
water vormt zich een dun kalklaagje om deze vruchten en ver-
hindert het indi-ingen van het water, en zij worden niet week;
in dit geval moet men het water dan eerst uitkoken.
Het water, dat de gegraven wellen in ons vaderland opleveren