Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Waler en wurmle.
13
WATER EN WARMTE.
Bij de meeste scheikundige werkingen spelen van deze oude
elementen liet vuur (warmte), het water en de lucht eene belang-
rijke rol, want dc warmte is eengewigtig middel tot bevordering
der scheikundige veranderingen, en het water een belangrijk middel
tot oplossing voor vaste en luchtvormige ligchamen. De lucht ver-
dient echter in zoo verre algemeen de aandacht, dat wij bijna
alle chemische proeven in haar moeten doen, waarbij zij niet zelden
helpende of verhinderende werkt. Deze drie zoogenaamde elemen-
ten moeten derhalve wel het eerst door ons worden beschouwd.
14. Het water bedekt als zee, deels in vasten toestand, zoo als
in het hooge noorden, deels vloeibaar, zoo als in de warmere stre-
ken bijna drie vierde van de oppervlakte der aarde; in rivieren
doorstroomt hetzelve het land in alle rigtingen, als damp stijgt het
op in de lucht, vormt daar wolken en valt als regen op de aarde
neder. Wij vinden het alzoo in alle drie aggregatietoestanden in de
natuur en zien ligtelijk in, dat het de warmte is, waardoor deze
uitwendige verscheidenheid wordt te weeg gebragt. Het water is
daarom zeer geschikt, om daaraan de voornaamste werkingen der
warmte te beschouwen.
Tig. 3.
XJITZETTIKG EN THERM031 ETEPv.
15. Proef. Men tareert een klein kolfje, d. i. men stelt het
op de eene schaal der balans en legt op de
andere zooveel gewigt, tot de tong naauwkeu-
rig in het huisje staat, vult het dan geheel
met water en weegt het weder. Hierna ver-
warmt men het kolfje op een' drievoet boven
eene eenvoudige spirituslamp, die men eerst
eenige minuten onder hetzelve heen en weder
beweegt, opdat de verwarming van het glas
langzaam en gelijkmatig geschiede. Het water
zal spoedig hooger stijgen en een gedeelte daar-
van overloopen. Zoodra het begint te koken,
neemt men de lamp weg en laat het kolfje be-
koelen ; daarbij zinkt het water lager dan het vroeger stond. Hoe-
veel daarvan uitgedreven werd, ziet men uit het verlies van ge-
wigt indien men het op nieuw weegt; er zal ongeveer aan het
eerste gewigt ontbreken.