Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Potcnsiim. ' 189
ladic, waar het zich aan vele potaschhoudende kalkrotsen van
zelf vormt.
208. Chloorzure potaseh (K0,C10.) gelijkt, zoo als de formule
reeds aantoont, in zamenstelling volkomen op hot salpeter; zij
werkt echter nog veel heviger, daar het chloorzuur nog gemak-
kelijker dan het salpeterzuur ontleed wordt.
Proeven, a) Door verhitting alleen vervalt de chloorzure pot-
aseh zeer ligt in zuurstof en chloorpotassium , men gebruikt haar
derhalve ter bereiding van zuurstof, zoo als 59 getoond is.
b) Op gloeijende kolen gestrooid ontploft zij nog heviger dan
salpeter: de vrijwordende zuurstof veroorzaakt eene zeer snelle
verbranding der kool. Ter bereiding van kruid kan men dit zout
echter niet aanwenden, daar de geweren door de al te snelle ont-
ploffing beschadigd zouden worden, maar het is wel bruikbaar bij
de bereiding van vuurwerken, vooral ter voortbrenging van ge-
kleurd vuur. Bij het tot poeder brengen en mengen van hetzelve,
moet men de grootste voorzigtigbeid in acht nemen, daar het
reeds door sterk wrijven of stootcn ontploffen kan. Wil men het
fijn wrijven, zoo bevoclitigt men het eerst met eenige droppels
water : het mengen met andere stoffen geschiedt met den vinger.
e) Men strooije eenige krmmeltjes chloorzure potaseh in een
bekerglas en voege er een weinig sterken wijngeest en daarna eenige
droppels zwavelzuur bij. Het zwavelzuur verjaagt het chloorzuur,
dat terstond in zijne bestanddeelen gescheiden wordt. Daarbij
ontstaat eene zoo groote verhitting, dat de wijngeest vlam vat.
d) Men vermenge eenige kruimeltjes chloorzure potaseh met
den vinger met ongeveer de helft zwavelbloemen en strooije dit
mengsel op zwavelzuur , dat men in een bekerglas gegoten heeft:
er ontstaat ècn levendig geknetter, en de zwavel ontbrandt. Deze
proef werd vroeger, op eene eenigzins andere wijze, bijna overal
dagelijks in het werk gesteld, schoon niet met het doel, om
chemie te bestuderen. De vroegere vuurwerktuigen namelijk,
waarbij men een lucifer deed ontbranden door hem in een flesehje
te steken, berusten op deze proef. De roode massa aan de luci-
fers bestond uit een mengsel van chloorzure potaseh met zwavcl,
hetwelk men met cinnaber rood geverwd had en in het fleschje
bevondt zich met zwavelzuur bevochtigde asbest; deze laatste diende
alleen, om het te diep inloopen te verhinderen.
e) Met metalen verhit, kan de cUoorzure potaseh, evenals
het salpeter, dezelve oxyderen.