Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Weffe» en Meten.
1 lood =
1 gram —
1 deckram
2 dr., 33^ gr.
gr.
U gr.
11
M. gewigt. N. gewigt
1 pond 3 onoe, 7 lood , 5 gram.
1 onee 3 lood , gr.
1 lood 1 lood, 5 gr.
1 draelime 3,906 gr.
1 grein 0,065 gr.
Het bij ons nog veelvuldig in gebruik zijnde oude pond staat
nagenoeg gelijk met een half Ned. pond of kilogram.
DE ELEIMENTEN DER OUDEN.
11. Gelijk wij aan ons zeiven het zigtbare ligehaam en als
beheerseher daarvan den onzigtbaren geest onderseheiden, zoo
onderseheiden wij ook buiten ons in de natuur ligchamen, die wij
voelen en wegen kunnen , en geestelijke magten of krachten, die
over deze ligchamen heersehen en geen gewigt bezitten.
13. De ontelbare ligchamen in de natuur, die wij op onze
aarde aantrclTen , laten zich gemakkelijk in drie groote klassen
verdeden: zij zijn of vast, of vloeibaar , of luchtvormig. Men
noemt deze drie toestanden, waarin de ligchamen voorkomen,
nggrega tie- toestanden.
Om een stuk ijs door te snijden of klein te maken , moet men
grootere kracht aanwenden, dan om water in kleinere deeltjes,
in druppels te veranderen ; wij besluiten daaruit, dat de kleine
deeltjes ijs, die door hunne zamenvoeging het grootere stuk vor-
men, vaster met elkander zamenhangen, dan die van het vloeibare
water. De ondervinding heeft geleerd, dat de kleine deeltjes,
waaruit de luchtsoorten bestaan , volstrekt niet meer met elkander
te zamenhangen; immers, het kost niet de geringste inspanning ze
van één te scheiden en van elkander te doen wijken. Als de oor-
zaak van dezen verschillenden zamenhang neemt men eene eigen-
dommelijke, aantrekkende kracht aan, die tusschen de kleinste
deeltjes der ligchamen werkzaam is, cn waaraan men den naam
van aantrekkingskracht of cohaesie gegeven heeft. Bij de vaste