Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Silicium tti zuurstof. 155
agaat en jaspis, de opaal cn chalcedon, deze bekende edelge-
Fig. 96. steenten bestaan eveneens uit kiezelaarde, wier kleu-
ren meestal van bijgevoegdA metaaloxyden afkomstig •
zijn. Het gewone zand is door ijzeroxydehydraat geel
of bruin gekleurde kiezelaarde. In dezen natuurlijken
toestand is de kiezelaarde zoo hard, dat zij met het
staal vonken geeft, en geheel onoplosbaar in water
en zui-en , uitgezonderd in vloeispaathzuur. Het zal
misschien menigeen vreemd schijnen, dat men ligcha-
men , zoo als ons gewoon zand of kiezelsteenen, tot
de zuren rekent, maar de reden, waarom dit geschiedt, is bloote-
lijk te zoeken in hunne verhouding tot de bases. Met deze
kan zich namelijk de kiezelaarde tot zouten verbinden , even als
de andere zuren doen.
Proef. Men koke in een porceleinen schaaltje 1 drachme-fijn
gewreven zand cn 2 drachmen bijtende potaseh met 2 lood water
gedurende eenige uren, terwijl men het door het verdampen ver-
dwenen water van tijd tot tijd door ander vervangt, vervolgens
laat men het mengsel in een gesloten flesehje bezinken. Een ge-
deelte van het zand heeft zich in de potaschloog opgelost en vormt
daarmede eene dikke melkachtige vloeistof. Voegt men daarbij '
zoutzuur, zoo ontstaat er een dik geleiachtig ncderslag van kie-
zelzuur; verdunt men daarentegen het vocht eerst met 10—12
malen zoo veel water en neemt men dan eerst de potaseh door
het zoutzuur weg , zoo blijft het helder en het kiezelzuur in het
water opgelost. ï)eze oplosbaarheid verdwijnt echter, zoodra het
vocht tot droogwordens toe verdampt wordt; het kiezelzuur stelt
dan een wit poeder daar, waarvan het water niets meer kan
oplossen. Gelijk men ziet, kan dus het kiezelzuur in twee geheel
van elkander verschillende isomerische wijzigingen voorkomen ,
als onoplosbaar, zoo als men het in de verschillende kiezelstee-
nen aantreft en als oplosbaar , zoo als men het iu het water en
in vele planten vindt. Bijna alle bronnen , zoo ook alle planten,
bevatten namelijk kleine hoeveelheden van dit zuur. Verdampt
men bronwater, zoo vindt men het in het overblijfsel; verbrandt
men eene plant, zoo vindt men het in de asch. Bijzonder rijk
daaraan zijn de grassoorten en granen, die men om deze reden
ook kiezelplanten noemt. Voor deze planten is de kiezelaarde
dat, wat voor de menschen de beenderen zijn, de stof, waaraan
de halm zijne vastheid, zijne stijfheid verschuldigd is. Is er in