Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Phosphorzuur. 11!)
200 (11. zwavel en 300 dl. zuurstof of 1 aeq. S en 3 aeq. O geven Sü,,
200 .. — » 200 // — 1 _ S » 2 — O — SO,.
De zwavel geeft buitendien met de zuurstof nog verseheidene
audere verbindingen , waarvan liet onderzwavelzuur, het onder-
zwavelig-zwavelzuur en het onderzwaveligzuur het meest bekend
zijn, doeh deze moeten als minder belangrijk, hier voorbij gegaan
worden.
PUOSPHORÜS EK ZUUKSIOF.
1) Phosphorzuur [PO^]. 176. Wanneer phosphorus in de lucht
of in zuurstof met vlam verbrandt, zoo ontstaat er een witte,
zure damp, die phosphorzuur heet [65]. Daarbij verbinden zich
altijd 400 grein phosphor met 500 grein zuurstof,' of 1 aeq.
phosphor met 5 aeq. zuurstof; het zuur heeft derhalve de for-
mule POj. In een droog glas verdigt zich deze damp tot een
wit poeder [watervrij phosphorzuur] , dat in de lucht vervloeit ,
maar in water verdwijnt, want het phosphorzuur is hygroskopisch
en in water gemakkelijk oplosbaar. Eene zoodanige oplossing kan
men ook verkrijgen, wanneer men phosphor met salpeterzuur
kookt. Bij dc verbranding geeft dc lueht, hier het salpeterzuur,
de zuurstof af.
Men vindt eehter ook phosphorzuur iu vele ligehamen als zoo-
danig aanwezig, vooral in de beenderen van zoogdieren en vogels,
cn kan het daaruit bereiden.
Proef. Men legt een gewogen runderbeen in het vuur van een'
kagchel en laat het daarin eenige uren gloeijen; het wordt eerst
zwart, dan weder wit. Men neemt het thans uit het vuur en
weegt het weder, het is ongeveer i ligter geworden. Wat bij het
branden verloren is gegaan, is lijm, die door de hitte eerst ver-
koolde, daarna verbrandde, d. i. zich in luchtsoorten veranderde,
die zich vervlugtigen; de overgeblevene niet vlugtigc deelen hee-
ten beenaarde of witgebrande beenderen, zij bestaan voor het
grootste gedeelte uit phosphorzuren kalk. Men stoot ze in een
mortier tot een fijn poeder. Op 1| lood daarvan wordt in een
glaasje een mengsel van 1 lood zwavelzuur en 5 lood water ge-
goten, dat eenige dagen op eene warme plaats gezet en gedurig
omgeroerd wordt. Hierop giet men de dikke brij op linnen en
perst er het vocht door; dit bevat nu geen zwavelzuur meer , maar
phosphorzuur. Het zwavelzuur moet in het witte overblijfsel ge-
zocht worden , het heeft zich met den kalk verbonden en het phos-