Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Sdwikuudige werkingen. 7
ja er outstaau dikwerf genoeg geheel verschillende stoffen, al naar-
mate men de vereeniging in de koude of warmte, in het water of
in de lucht, in grootere of geringere hoeveelheden laat geschieden.
Dit is de zamenstelling of synthese.
c) Welke nuttige toepassing kan nmi van uitkomsten dezer proeven
maken ? Wat de scheikundige gevonden heeft, hetzij een nieuw lig-
ehaam , of eene nieuwe eigenschap van een reeds bekend, of eene
nieuwe methode, dat deelt hij den geneeskundige, den apotheker,
den landhuishoudkundige, den fabriekant en handwerksman mede,
opdat deze van hunnen kant beproeven, of zich daarvan eeuig
voordeel, eene vereenvoudiging of verbetering voor de geneeskunde,
de techniek of landhuishoudkunde laat verwachten. De phosphor
ontbrandt van zelf bij eene geringe wrijving; men maakt daarvan
gebruik voor de strijkzwavelstokjes (lucifers); in de maag gebragt
werkt hij vergiftig en is daarom tegenwoordig een veel gebruikt
middel om ratten en muizen te verdelgen. In de graansoorten
heeft men altijd de bestanddeelen der beenaarde, zoo ook die van
de lijm gevonden: de scheikundige besluit hieruit, dat klein ge-
maakte beenderen een voortreffelijk middel tot bemesting voor het
graan moeten zijn, de landbouwer bewijst dit door de ondervin-
ding in het groot. Aan de verkoolde beenderen ontdekte men de
eigenschap, dat zij vele in vloeistoffen opgeloste stoffen tot zich
trekken en vasthouden kunnen ; men gebruikt ze uit dien hoofde om
vuil water weder drinkbaar te maken , de suikerfabriekant maakt
met beenzwart bruine stroop tot witte, de destillateur foeselige
brandewijn tot zuivere , enz. Dit is toegepaste scheikunde (praktijk).
d) Welke zijn de oorzaken der scheikundige veranderingen, en
volgens welke wetten geschieden zij? Doet men de chemische proeven,
zoo als het behoort, met de weegschaal in de hand, zoo zal men ras
bemerken, dat wanneer men twee verschillende ligchamen, die zich
met elkander kunnen verbinden, in aanraking brengt, er nu eens
van het eene , dan van het andere iets niet-verbonden overblijft.
Verdere proeven zullen doen zien, hoeveel zich, volgens het ge-
wigt, van het eene ligehaam met het andere kan vereenigen. Beproeft
men alle andere ligchamen op dezelfde wijze, zoo komt men eindelijk
tot de zekerheid, dat aan elk ligehaam op zich zelf een bepaald, voor
het eene grooter, voor het andere kleiner ge\\dgt is voorgeschreven,
waarmede het overal in eenigerlei verbinding treedt. Deze regel-
matigheid noemen wij eene natuurwet. Van zoodanige natuurwet-
ten heeft men er reeds vele gevonden en zij dienen den scheikun-