Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
Overzigt over de organogen'en. 95
uitgezet, de afzonderlijke deeltjes worden van elkander renvijderd,
door verkoeling trekken zij zich in eene kleinere ruimte te zamen.
7) De warmte kan ook den aggregatietoestand der ligchamen
geheel veranderen; zij maakt vaste ligchamen vloeibaar (smelten)
en vloeibare gasvormig (verdampen, koken).
8) Door verkoeling worden gasvormige ligchamen vloeibaar
(destillatie, regen) , vloeibare vast (verstijven, bevriezen).
9) Bij het smelten en verdampen wordt er warmte gebonden
of schuilend (voortbrenging van koude), bij het vast worden van
vloeibare of bij de verdigting van gasvormige ligchamen wordt er
warmte vrij.
10) Alle ligchamen bevatten derhalve verborgene warmte en
wel de vloeibare minder dan de gasvormige.
11) Vaste ligchamen worden ook vloeibaar door oplossing in
eene vloeistof. Scheiden zij zich uit zoodanige oplossingen in regel-
matige gedaanten weder af, zoo noemt men ze kristalliseerbaar.
Tot de kristalvorming is bewegelijkheid der deeltjes en tijd noodig.
12) Luchtvormige ligchamen, die door verkoeling of drukking
ligt vloeibaar worden, heeten dampen, de zoodanige, die moeijelijk
of in het geheel niet vloeibaar te maken zijn, gassoorten.
13) De cohaesie der ligchamen kan ook door snijden, stooten
enz. weggenomen worden, doch daarbij verandert slechts hun
vorm, naar hunnen aard blijven zij dezelfde als vroeger. Dit zijn
uitwendige of mechanische veranderingen.
14) Er zijn echter ook veranderingen , waarbij de eigenschappen
der ligchamen zoo geheel veranderd worden, dat deze niet weder
te herkennen zijn, en als nieuwe moeten beschouwd worden. Dij;
zijn inwendige of chemische veranderingen.
15) Als de oorzaak der chemische veranderingen neemt men
eene kracht aan, waarmede aUe ligchamen, velen rijk, anderen
minder begaafd zijn; zij heet affiniteit of verwantschap. Li de
Icvcnlooze of anorganische ligchamen heerscht deze kracht vrij cn
ongehinderd, doch in de levende of organische wordt zij door de
levenswerkdadigheid der planten en dieren gewijzigd.
IG) De verwantschap werkt slechts in de grootste nabijheid,
wanneer de ligchamen elkander op het innigst aanraken.
17) Zij is, in tegenstelling met do verwantschap onder de men-
schen, des te sterker, hoe ongelijksooitiger dc beide ligchamen
zijn , des te zwakker, hoe meer zij naar elkander gelijken.
18) Dc chemische veranderingen kunnen op twee wijzen ge-