Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
94 Niet-metalen, of fiieialldiden.
stof, die het eerst cn wel vlammend verbrandt, daarna volgt eerst
de gloeijende verbranding van de koolstof. Deze opvolging komt
bij alle brandstoffen voor, welke gemeenschappelijk waterstof en
koolstof bevatten. Elk brandend stnk hout toont dit op eene
overtuigende wijze.
Het licht geven van de vlam wordt, gelijk de voorgaande proe-
ven hebben aangetoond, altijd door een vast ligchaam voortge-
bragt, gewoonlijk door kool, die in de vlam gloeit; is zij slechts
rood gloeijend, zoo geeft de vlam een duister, roodachtig Hcht,
een helder wit daarentegen, wanneer zij door eene volkomene
verbranding tot witgloeihitte gebragt wordt.
De vier tot hiertoe afgehandelde enkelvoudige stoffen maken de
hoofdbestanddeelen uit van aUe planten en dieren, en kunnen om
deze reden organogenen (voortbrengsters der organische ligchamen)
genoemd worden.
OVEEZIGI OVEB BE OEGiNOGENEN
(zuurstof, waterstof, stikstof en koolstof).
1) Gelijk wij aan ons zelve ligchaam en geest onderscheiden,
zoo onderscheidt men in de natuur: ligchamen (materie, stof) en
krachten (geest).
2) Alle ligchamen, die wij kennen, zijn weegbaar; uit het
absolute gewigt maken wij op, hoeveel een ligchaam in de lucht
weegt, uit het specifiek gewigt, hoeveel malen het zwaarder of
ligter is dan een even groot stuk van een ander ligchaam.
3) Dc ligchamen komen in drie aggrcgatietoestanden voor, zij
zijn of vast, of druipend vloeibaar, of gasvormig.
4) De aarde kan als het beeld der vaste ligchamen , het water
en de lucht als die der vloeibare en gasvormige beschouwd wor-
den. Hot vuur (licht, warmte) kan voor het beeld der natuur-
krachten gehouden worden.
5) De afzonderlijke deeltjes der ligchamen worden door eene
kracht zamengehouden, die het van een vallen derzelve verhindert ;
men noemt haar cohacsiekracht; zij is het sterkst bij do vaste
ligehamen, het zwakst bij de luehtvormige.
6) Deze kracht neemt in het algemeen bij verwarming af, zij
;aeemt toe bij verkoeling; door de iVarmtc worden de ligchamen