Boekgegevens
Titel: De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Auteur: Stöckhardt, J.A.; Gunning, Jan Willem
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1855
3de Nederduitsche uitg. van Stöckhardt's Schule der Chemie, bew. door J. W. Gunning
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 649 E 15
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203594
Onderwerp: Scheikunde: scheikunde: algemeen
Trefwoord: Chemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De scheikunde van het onbewerktuigde en bewerktuigde rijk: bevattelijk voorgesteld en met eenvoudige proeven opgehelderd
Vorige scan Volgende scanScanned page
2 Sc-yikmuJiye werkingm.
beeld van hot voorwerp, dat, zich er voor bevindt, terug; eene snaar,
in eene trillende beweging gebragt, brengt een toon voort, die ver-
schilt , naar mate zij langer of korter, sterker of slapper gespannen is.
Bij deze verschijnselen bemerken wij geene verandering aan do
voorwerpen, die daarbij in het spel komen ; de snaar behoudt haren
vorm en haar gewigt, hoe dikwijls men ze ook laat trillen, of
welken toon men haar laat geven. De steen blijft voor en na zijn
val dezelfde en ondergaat geene verandering. Zulke verschijnselen,
waarbij de ligchamen geene innerlijke verandering ondergaan en
slechts voorbijgaand in een anderen toestand worden gebragt,
heeten physische werkingen.
2. Waarheen wij op aarde ons rigten, overal ontwaren wij schei-
kundige en physische werkingen, op het vaste land, in de lucht zoo
wel als in de diepte der zee. Het harde basalt, de glasachtige lava
worden langzamerhand korrelig, hunne donkere kleur gaat in eene
lichtere over, zij vervallen tot al kleinere en kleinere stukken, zij
worden eindelijk tot aarde. Een aardappel in deze aarde gelegd,
wordt week, de vroeger meelige smaak wordt zoet, eindelijk be-
dorven. De kiem , die daaruit in een donkeren kelder tot een teeder,
ziekelijk bleek uitspruitsel opgroeit, wast in het lieht tot eene krach-
tige, vaste, groene plant. De zonnestralen voeren haar koesterende
warmte toe; het water, dat zich in de lucht bevindt, valt als regen
en daauw op haar neder en lost uit de aarde, die het bevochtigt,
onderscheidene stoffen op. Zoo kan de plant de voedende deelen door
de fijne openingen harer wortels in zich opnemen, en vormt uit de
bestanddeelen daarvan en uit de lucht, die haar omgeeft, nieuwe
ligchamen, die te voreii noch in de aarde, noeh in het water, noch
in de lucht te vinden waren. Een fijn netwerk van cellen en buizen
is door de geheele plant verspreid en verleent haar vastheid; in het
sap , dat van cel tot cel wordt opgezogen, vindt men eiwit en andere
slijmige stoffen; in de bladeren en den stengel eene groene kleur-
stof, het bladgroen; in de rijpe knollen een meelachtig ligehaam ,
het zetmeel. Al deze stoffen zijn onschadelijk voor do gezondheid;
groeijen daarentegen de aardappelen in het donker en zonder aarde,
b. v. in kelders, zoo wordt er in hunne lange, blecke uitspruitsels
eene zeer vergiftige stof ontwikkeld, de solanine. De knollen der
aardappelplant maken een onzer belangrijkste voedingsmiddelen uit.
Het daarin bevatte zetmeel laat zich niet iu water oplossen, doch
in dc maag ondergaat het zeer spoedig eene zoodanige verandering,
dat liet opgelost of verteerd wordt en zich dan als vloeistof bij het