Boekgegevens
Titel: De methode van teekenonderwijs van de Gebr. F. en A. Dupuis, en hare invoering in het Koninklijk Athenaeum te Maastricht
Auteur: Steyn Parvé, Daniel Jan; Klöden
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. U b 11
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203572
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: tekenkunst: algemeen
Trefwoord: Tekenen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De methode van teekenonderwijs van de Gebr. F. en A. Dupuis, en hare invoering in het Koninklijk Athenaeum te Maastricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
45
hebben dus met eene methode te doen, welke Voor het
geheele schoolwezen, en niet alleen voor enkele scholen,
van zeer veel gewigt is. Er staan echter eenige zwarig-
heden voor de invoering in den weg, die wij niet stil-
zwijgend mogen voorbijgaan.
Het aantal leerlingen moet niet veel meer dan dertig
bedragen, wil men goede vorderingen maken. De reden
laat zich gemakkelijk inzien. Allo leerlingen teekenen
hetzelfde voorwerp tegelijk op hun teekenbord, en bij de
gemakkelijke voorwerpen zijn zij schielijk daarmede klaar.
Geen leerling mag echter zijne teekening uitvegen, vóór
de onderwijzer ze heeft gezien en beoordeeld. Hebben
de leerlingen 5 minuten noodig gehad voor de teekening,
en blijft de onderwijzer bij elk gemiddeld 2 minuten,
dan vereischen 28 leerhngen 56 minuten, en het uur is
om, waarin dan de leerling slechts 7 minuten heeft ge-
werkt, en den overigen tijd stil gezeten of met praten
gesleten. Om dit te beletten, blijft er niets over, dan
dezelfde teekening, zonder de reeds gemaakte weg te ve-
gen, zoo dikwijls naast elkander te laten maken, als de
ruimte van het tcekenbord het toelaat. Met 30 leerlin-
gen heeft de onderwijzer echter zijne handen vol werk.
Zijn er meer leerlingen in de school, dan moet de on-
derwijzer eenen helper hebben, die natuurlijk niet aUeen
goed teekenaar, maar ook met de methode, voor zooverre
als noodig is, vertrouwd moet zijn. Het kan een jong
mensch zijn, die de methode bestudeert, en daar hij met
de tucht en orde niets te maken heeft, slechts de teeke-
ningen der leerlingen beoordeelt. Hij zal daarom ook
niet zoo veel bezoldiging behoeven te hebben, als de
eigenUjke onderwijzer. Bestaat Idertoe geene gelegenheid,
dan schiet er niets anders over, dan dat de onderwijzer
zijne beste leerlingen vooraan plaatst, hen de teekening