Boekgegevens
Titel: De methode van teekenonderwijs van de Gebr. F. en A. Dupuis, en hare invoering in het Koninklijk Athenaeum te Maastricht
Auteur: Steyn Parvé, Daniel Jan; Klöden
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. U b 11
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203572
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: tekenkunst: algemeen
Trefwoord: Tekenen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De methode van teekenonderwijs van de Gebr. F. en A. Dupuis, en hare invoering in het Koninklijk Athenaeum te Maastricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
11
den begint met het tweede, alzoo men daarbij wat te
teekenen geeft, dat van zelf juist moet gezien worden; en
men tracht daardoor ook in gevallen, waarin men niet
met een enkel vlak te doen heeft, een middel te vinden
om een juist gezigt te geven. Zooals wij reeds gezegd
hebben, geschiedt dit ook inderdaad bij enkelen, en deze
teekenen ook later naar gips; ja zelfs zijn onze teekenaars
en schilders grootendeels uit deze gekomen. Dat echter
het grootste aantal der leerlingen daardoor niet leert zien
en teekenen, is bekend.
Daarentegen is het teekenen naar voorbeelden voor het
oefenen der hand zeer voordeelig, en door hetzelve kan
die oefening ver gaan. In dit opzigt kan men liaar dan
ook niets verwijten. Het ware echter te wenschen, dat
het teekenen niet alleen met liggenden arm op een hori-
zontaal vlak gebeurde, maar dat men ook in het teeke-
nen met vrijen arm op een schuinsch vlak geoefend werd,
evenals een schilder voor den scliilderezel. In scholen
zoude dit echter niet best kunnen ingevoerd worden.
3.) Oefening in het voorstellen van de werJcing
van het licht.
Even duidelijk als de schaduw van een ligchaam in
het zonnelicht is, evenzoo weinig valt zij in het oog bij
bewolkten hemel, of wanneer het zonnelicht niet op liet
ligchaam valt. Een blad papier, waarop het licht door
een venster valt, vertoont in eiken anderen stand, op
eiken anderen afstand eene andere witte kleur, en toch
bemerken slechts zeer weinigen die veranderingen, dewijl
het oog niet gevoelig genoeg is voor zulke fijne schake-
i-ingen van het licht, of liever niet genoeg geoefend is,
om ze te vatten of op te merken. Daartoe zyn weder
d