Boekgegevens
Titel: De methode van teekenonderwijs van de Gebr. F. en A. Dupuis, en hare invoering in het Koninklijk Athenaeum te Maastricht
Auteur: Steyn Parvé, Daniel Jan; Klöden
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en Zoon, 1852
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. U b 11
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203572
Onderwerp: Afzonderlijke kunstvormen: tekenkunst: algemeen
Trefwoord: Tekenen, Vakdidactiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De methode van teekenonderwijs van de Gebr. F. en A. Dupuis, en hare invoering in het Koninklijk Athenaeum te Maastricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
waarop oen traliewerk van touw gespannen was. De kin-
deren duidden de lijnen van het traliewerk ligtelijk op
hun papier aan, plaatsten vervolgens het raam voor het
vooi'werp, dat zij wilden nateekenen, en bragten dan de
omtrekken van het voorwerp, zooals zij oogenschijnlijk de
draden van het traliewerk ontmoetten, van ruitje tot ruitje
over. Deze oefening was vatbaar voor eene groote vol-
making, en zoude ver hebben kunnen brengen. Het ver-
trek van Friesen naar het leger en zijn daarop gevolgde
dood verhinderden dit. Voor de oefening van het oog was
deze methode stellig zeer gescliikt.
2.) De oefening der hand.
Het is cenc onmisbare voorwaarde bg het teekenen,
dat men de hand zoozeer in zijne raagt heeft, dat de stift
naauwkeurig daarheen geleid wordt, waarheen de wil het
verlangt. De oefening moet zoo lang voortgezet worden,
tot het ten laatste schijnt, alsof het oog de hand gebood,
en niet de wil. Men moet kunnen teekenen wat men ziet,
en zooals men het ziet, zonder dat een enkele spier der
hand zich weerbarstig betoont. Die dan volkomen bewust
is, hoe hij ziet, en zich heeft afgewend, datgene wat hem
zijn oog te kennen geeft door onjuiste gevolgtrekkingen
te willen verbeteren, die zal de omtrekken van elk voor-
werp volkomen juist in zijne teekening voorstellen.
Hieruit volgt echter van zelf, dat diegene, die niet
weet wat hij ziet, en hoe hij het ziet, ook niet weten
zal, wat en hoe hij het moet voorstellen, al is zijne vaar-
digheid in het teekenen ook nog zoo groot. Met bewust-
zijn zien, is dus het eerste, teehenm Wat men ziet, kan
slechts het tweede zijn.
Het gewone onderwijs vau het tcekeneu uivar voorbed-