Boekgegevens
Titel: De vrijheid van onderwijs, het schrikbeeld dezer dagen: een wenk voor allen die het wel met het vaderland meenen
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1848
[S.l.]: M.J. Portielje
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. M a 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203532
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Vrijheid van onderwijs, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De vrijheid van onderwijs, het schrikbeeld dezer dagen: een wenk voor allen die het wel met het vaderland meenen
Vorige scan Volgende scanScanned page
I. andsü;"! ^■).iT^;io:mu38üm
Prin-engraclit l5l bij cis rMnoenfv-
- 17 — " >y)3TPRöA-
ook opleiden tot een regt besef van deugd èn pligt'. "'
Zulke dierbare belangen worden dan aan den onder-
wijzer toevertrouwd, en nu wil men zonder onder-
scheid , die belangen in ieders handen geven, die zulks
verlangt; terwijl de man des vertrouwens wegens stof-
felijke belangen in de maatschappij, de notaris, een
stand heeft, die door allen — en te regt — als een
noodzakelijk privilegie beschouwd wordt. Althans
niemand van gezonde zinnen zal wenschen, dat ieder
zich naar goedvinden als notaris kunne vestigen; nie-
mand zal ontkennen, dat zulks voor de maatschappij
een ware ramp zou zijn. En zou men dan geen pri-
vilegie mogen toekennen aan een stand, aan wien zoo
veel edeler belangen toevertrouwd worden? — Maar
nog meer. Is het een privilegie van dezen stand, dat de
onderwijzers de bewijzen hunner bekwaamheden moeten
afleggen voor een jury van mannen, die zeiven niet
tot het vak behooren? De leden der provinciale com-
missiên zijn, op enkele uitzonderingen na, advocaten ,
geneesheeren , geestelijken , enz. , menschen, die in
hunne eigene burgerlijke betrekking groote verdiensten
hebben, maar die daarom nog niet bevoegd zijn en
moeijelijk kunnen worden, om behoorlijk de verplig-
tingen te vervullen , die in de instructie voor school-
opzieners zijn uitgedrukt. In dit opzigt toch is de
onderwijzersstand wel het minst bevoorregt, en is dit
eene werkelijke leemte in de wet van 1806. En een
monopolie! Moet dan het onderwijs geheel eene zaak
van concurrentie worden ? Is het zulks in vele groote
steden niet reeds genoeg? Indien de concurrentie
slechts bestaat in den ijver om bruikbare menschen
voor de zamenleving te vormen , dan is zoodanig eene