Boekgegevens
Titel: De vrijheid van onderwijs, het schrikbeeld dezer dagen: een wenk voor allen die het wel met het vaderland meenen
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1848
[S.l.]: M.J. Portielje
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. M a 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203532
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Vrijheid van onderwijs, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De vrijheid van onderwijs, het schrikbeeld dezer dagen: een wenk voor allen die het wel met het vaderland meenen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 16 —
plaatsen veranderen; gij zult meusclielijke machines
vormen, die gij tot elk oogmerk gebruiken en bewegen
kunt. Wat spreekt men van gepriviligieerden stand en
monopolie? Wij vragen in gemoede: Is het onderwijs
voor den onderwijzer, of is de onderwijzer voor het
onderwijs? Bestaat het onderwijs, om aan eenige dui-
zende onderwijzers den kost en een bestaan te geven,
of bestaan de onderwijzers, om een der edelste belangen
der natie te behartigen? Ongerijmd is het om van
een geprivilegieerden stand te spreken. Eaadpleegt de
emolumenten, die in de Bijdragen bij het opgeven van
de meeste vacatures van Onderwijzersplaatsen worden
opgenoemd, en zoudt gij dan nog durven beweren,
dat de onderwijzersstand zoo bijzonder geprivilegieerd
is? Vindt men in eenige provinciën, vooral op het
platte land, niet menigen onderwijzer, die een al te kom-
merlijk bestaan heeft, en die daarom juist al zijne zor-
gen niet aan de hem toevertrouwde jeugd wijdt, dewijl
stoffelijke zorgen hem ter neder drukken, en hem
zijne veerkracht ontnemen? Ook hoe velen zijn er
niet, die andere plaatselijke of kerkelijke betrekkingen
bij hunnen post moeten waarnemen, «om met de karige
inkomsten te kunnen toekomen? Neen de onderwij-
zersstand is geen geprivilegieerde stand; doch hetw'are
in het belang der natie wenschelijk, dat hij het meer
geweest ware, dat het onderwijs meer eene handeling,
een opvoedingsmiddel van den Staat ware geweest.
De onderwijzer moet een man zijn, die het volle
vertrouwen zijner medeburgers bezit; want aan hem
hebben zij hun kroost toevertrouwd, en van hem mo-
gen zij verwachten, dat hij dat kroost niet alleen de
noodzakelijke kundigheden zal mededeelen, maar het