Boekgegevens
Titel: De vrijheid van onderwijs, het schrikbeeld dezer dagen: een wenk voor allen die het wel met het vaderland meenen
Auteur: Hoeven, A. van der
Uitgave: Amsterdam: J.M.E. Meijer, 1848
[S.l.]: M.J. Portielje
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. M a 21
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203532
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Vrijheid van onderwijs, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De vrijheid van onderwijs, het schrikbeeld dezer dagen: een wenk voor allen die het wel met het vaderland meenen
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 12 —
aan te nemen. Vier jaar geleden, zeide de Bisschop
van Chalons, als een hevig voorstander van de vrij-
heid van onderwijs, in het blad VAmi de la Religion:
„ Slechts een wensch hebben de huisvaders, namelijk
de vrije uitoefening hunner regten, die men sedert
lang heeft miskend; dat is de magt om te beschikken
over hunne kinderen, zoo als zij beschikken over hunne
andere eigendommen, welker gebruik en vrij bezit hun
door niemand wordt betwist."
Hoe erbarmelijk wordt toch met dat woord vrijheid
omgesprongen! Zie, al wilde ik een onnatuurlijk va-
der zijn; al wilde ik met voordacht van mijne kinderen
slechte menschen of gevaarlijke staatsburgers maken;
al wilde ik hen zelfs ä la caspae hauser behande-
len , ik heb er het regt toe, want zij zijn tot hunne
meerderjarigheid mijn eigendom ; zij maken een deel uit
van mijne bezittingen, even als mijn vee, mijn huis-
raad , mijne onroerende goederen!!! Neen , dat heillooze
regt hebben de ouders niet; wij betwisten hun zelfs het
regt, om hunne kinderen naar verkiezing dom te
houden, door hen buiten de gelegenheid te stellen de
school te bezoeken. Daar elk kind, dat geboren wordt,
een lid der zamenleving moet worden, zoo moet dat
kind ook zoo opgevoed en onderwezen worden, dat het
als zoodanig eenmaal kan optreden, toegerust met die
beginselen , die bevorderlijk zijn aan het geluk eener
welgevormde maatschappij, en niet die dienstbaar zijn
ter bereiking van bijzondere bedoelingen.
De wet van 1806 zegt uitdrukkelijk, dat alle
schoolonderwijs zoodanig moet worden ingerigt, dat,
onder het aanleeren van gepaste en nuttige kun-
digheden , de verstandelijke vermogens der kinderen