Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
90
I
dwingelandij moede, riepen Chlotarius II, den zoon van Fre-
degonde, tot koning uit. Hij wist Brunehilde met vier harer
achterkleinzonen in handen te krijgen. Een van deze ont-
snapte weder, een tweeden spaarde hij het leven, omdat hij
hem zelf ten doop had gehouden, maar de beide andere
liet hij voor hare oogen ombrengen, waarna zij met ééne
hand en één voet aan den staart van een wild paard werd
gebonden, dat toen werd voortgejaagd, zoodat haar lichaam
weldra geheel vaneen was gereten.
Het koningschap was door het onophoudelijk oorlogvoeren
bij de Franken zoozeer in aanzien gestegen, dat men het als
erfelijk was gaan beschouwen. De Frankische koningen namen
in de veroverde landen de staatseigendommen en de schatten
der koningen, die zij verdreven of doodden, in bezit en waren
daardoor in staat, allen, die hun diensten bewezen, vorstelijk
te beloonen. Daardoor begonnen zooveel Franken naar de gunst
der koningen te dingen, dat het eerst ophield verachtelijk te
zijn, en langzamerhand als eene eer beschouwd werd, zich aan
den persoonlijken dienst des konings te verbinden. Zij, die
dit deden, droegen den naam leudes (lieden) en werden som-
tijds begiftigd met een stuk gronds, dat zij konden behou-
den, zoolang zij aan 's konings dienst verbonden waren. Zulk
een stuk gronds heette beneßcium, in tegenstelling van het
cdlodium of het land, dat een vrije in vol eigendom bezat.
Terwijl de vrijen slechts tot krijgsdienst verplicht waren om
het land te verdedigen, moesten de leudes te allen tijde ge-
reed zijn, den koning gewapend ter zijde te staan om b.v.
op verovering uit te gaan of bloedwraak te nemen. Daar de
koningen eene weelderige hofhouding begonnen te voeren,
kregen sommige leudes een beneficium voor het verrichten
van huisdiensten. Zulke personen droegen den naam van
ministerialen. Tot de voornaamsten hunner behoorden de
majordomus of hofmeier, die aan het hoofd der hofhouding
stond, de maarschalk of opzichter der koninklijke stallen,
de schenker en de kamerheer. Al spoedig werden Romei-