Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
86
ten liet Clovis ombrengen, uit vrees, dat zij hem van de
heerschappij zouden berooven. Zoo breidde hij zijn rijk over
geheel Gallië uit. Toen hij eens het volk om zich verzameld
had, sprak hij: //Ach, dat ik nu als een vreemde onder u
sta, en dat geen der mijnen, wanneer mij een ongeluk over-
komt, mij kan bijstaan!" Hij zeide dit echter niet, omdat
hij bedroefd was over hun dood, maar uit list, om te zien
of er wellicht nog iemand was, dien hij kon dooden."
Clovis stierf te Parijs in den ouderdom van vijf en veertig
jaar, diep betreurd door de geestelijkheid, die hem aanzien
en bezittingen te danken, door de Franken, die hij zoo vaak
ter overwinning geleid, en door de Eomeineu en Galliërs ,
die hij steeds met welwillendheid behandeld had.
Brunehilde en Fredegonde.
Clovis werd opgevolgd door zijne vier zonen: Theodö-
rik, de oudste, werd koning van het oostelijke gedeelte,
Austrië, terwijl het westelijke deel van het Frankische rijk,
Neustrië, onder diens broeders Childebert, Chlodomir en
Chlotarius werd verdeeld. Aanvankelijk waren de broeders
eensgezind en bestreden zij gezamenlijk en met voordeel de
Bourgondiërs, de West-Gothen en de Thüringers. Als een
staaltje van de wreedheid, ^i'aarmede in dien tijd oorlog werd
gevoerd, kan dienen, dat de Thüringers op een strooptocht,'
dien zij in het Frankische rijk deden, zich behalve van een
aanzienlijken buit, van een groot aantal knapen en meisjes
meester maakten. De knapen hingen zij aan de boomen op,
en de meisjes lieten zij door paarden aan stukken trekken,
of bevestigden haar met palen aan den grond en lieten
dan zware wagens over haar rijden.
Nadat de vier broeders hunne buitenlandsche vijanden
overwonnen hadden, begonnen zij elkander te beoorlogen, en
van dien tijd af is de gescliiedonis der Merovingers niets dan