Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
82
geschenken aan, en namen met hem besluiten in gewichtige
rechtszaken, over vrede en oorlog, en aangaande alles wat
het algemeen welzijn betrof. Ieder der aanwezigen kon het
woord voeren: instemming werd te kennen gegeven door
met de frame op het schild te slaan; afkeuring door ge-
mompel. Nadat de Franken het Christendom hadden aan-
genomen, werden de bisschoppen ter vergadering toegelaten.
Zij voerden er langzamerhand het gebruik der Latijnsche taal
in, en daar zij in kennis en welbespraaktheid boven de
Frankische krijgers uitmuntten, wisten zij eerlang de leiding
der beraadslagingen aan zich te trekken. Tevens zochten Clovis
en zijne opvolgers zooveel mogelijk de regeering op Romeinsche
leest te schoeien en in hunne omgeving de gebruiken der
vroegere Romeinsche keizers in te voeren. Zij vervingen de
nauwsluitende kleeding, die hunne voorouders hadden gedra-
gen, door eene wijde golvende, zooals die, welke de hoogge-
plaatste Romeinen droegen, het Germaansche bont door den
purperen rand der Senatoren, en versierden hun hoofd met
de keizerlijke diadeem. Gelijk de Romeinsche consuls hielden
zij een vergulden staf als teeken van het opperbevel in de
hand, en meer en meer omgaven zij zich door aanzienlijke
Romeinen, abten en bisschoppen, waardoor zich eene hof-
houding begon te vormen. Met genoegen luisterden die
Merovingers naar de Latijnsche verzen, welke de Romeinen
te hunner eer vervaardigden, en zij trachtten de uitdruk-
kingen dier schoone taal na te zeggen. Namen de Franken
mettertijd de taal der door hen onderworpen Romeinen over,
hunne vermenging met de Galliërs bracht eene groote ver-
andering in hun volksaard te weeg. De Galliërs worden door
den Griekschen aardrijkskundige Strabon, een tijdgenoot van
den Romeinschen keizer Augustus, aldus afgeschilderd: //De
Galliërs zijn prikkelbaar, verzot op den krijg, en terstond
gereed om te vechten, maar overigens eenvoudig en zonder
boosaardigheid. In den oorlog vallen zij den vijand in het
front aan, zonder ergens anders op te letten. Door list