Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
72
De eeredienst der Germauen.
De Germanen vereerden wateren, steenen, vuur, luchten
wind, boomen, planten en dieren, bf omdat zij aan goden
gewijd waren, bf omdat, naar hunne meening, hoogere wezens
erin huisden. Aan menig water werd genezende kracht toe-
gekend, gelijk nog de naam Heilbron aanduidt, waar het
water te middernacht zwijgend geput moest worden. De eik
was aan Donar gewijd, de linde aan Freya, de godin der
liefde. Het heilige woud der Semnonen, de voornaamste
stam van het verbond der Sueven, mocht niet anders dan
geboeid betreden worden. Wie er in viel, mocht noch op-
staan , noch zich doen opbeuren. De kop en de huid van
een offerdier werden aan een boom gehangen: daardoor mis-
schien verkregen sommige boomen een bizonderen roep van
heiligheid. Wie een heiligen boom schond, werd ter dood
gebracht, somtijds met al zijne huisgenooten.
Aan de dieren werd zooveel kennis toegeschreven, dat
wie de taal der dieren verstond, hoogere wijsheid deelachtig
kon worden.
Het gebed, oorspronkelijk een aanbieden van onderwerping,
niet een verzoeken, aan de goden, geschiedde bij de Germa-
nen met het gezicht naar het Noorden gekeerd, waar de goden
zich ophielden. Het gebed ging met. een offer, het aanbieden
van een deel zijner have, gepaard, om daarmede te erkennen,
dat men zijne gansche bezitting aan de goden te danken had.
De Germanen kenden slechts drie jaargetijden: lente, zomer
en winter, en dienovereenkomstig hadden zij jaarlijks drie
groote offerfeesten. Deze werden in heilige wouden gehouden,
wier statige aanblik en geheimzinnig ruischen hun godsdien-
stig gevoel meer aangreep, dan eenige tempel, dien zij bij
hunne onbedrevenheid in de bouwkunst in staat zouden ge-
weest zijn te vervaardigen. In ieder heilig woud was een hof
of heiligdom, dat op straffe van den dood door niemand mocht