Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
68
genden nacht acht even schoone gouden ringen van hem afdropen
(vruchtbaarheid). Hermodhr was ondertusschen gedurende
negen nachten door donkere dalen, waarin hij niets zag, ge-
reden en kwam toen aan de met glinsterend goud bekleede
Giöllbrug. Mödgudr, de jonkvrouw, die deze brug bewaakte,
vraagde hem naar zijn naam en zijne afkomst, en zeide: //Giste-
ren zijn vijf hoopen doode mannen over de brug gereden; zij
maakten met hun allen een minder donderend geraas, dan gij
alleen, en toch hebt gij geene lijkkleur. Waarom rijdt gij
den helweg?" flij antwoordde: //Ik moet naar de hel rijden
om Balder te zoeken. Hebt gij er hem heen zien rijden?"
Zij zeide, dat zij hem gezien had, en dat de weg naar de
hel Noordwaarts liep. Hermodhr reed dien kant uit en zag
weldra het hek der hel. Hierop steeg hij af, om den buik-
riem van Sleipnir vaster aan te trekken, steeg weder op, en
toen nam het paard zulk een krachtigen sprong, dat het over
het hek sprong, zonder dit aan teraken. Nu reed Hermodhr
naar de zaal, steeg af en trad binnen. Hij vond er Balder,
die op de eereplaats zat, en bracht er den nacht door.
Den volgenden morgen verzocht hij Hel, Balder met hem
weg te laten rijden, omdat al de azen om hem treurden;
maar zij zeide, dat Balder bij haar moest blijven, wanneer
niet alle dingen in de wereld om hem treurden. Hermodhr
maakte zich nu gereed om te vertrekken. Balder geleidde
hem uit de zaal en gaf hem den ring Draupnir als een aan-
denken voor Wodan mede, terwijl Nanrfa hem een dekkleed
voor Frigg ter hand stelde. Toen Hermodhr in Asgard terug
was gekeerd, deelde hij, wat hij gehoord en gezien had, aan
de azen mede, die daarop door de gansche wereld boden
uitzonden met bevel. Balder uit de macht van Hel te weenen.
Alles deed het: niet slechts de menschen en dieren, maar
Ook de planten, steenen en alle ertsen, juist alsof zij uit de
koude in de warmte kwamen. Toen de boden in de hel
kwamen, zagen zij er Thöck, eene reuzin, zitten, die op het tot
haar gerichte verzoek om ook te weenen, antwoordde : //Thöck