Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
64
tot zoen aan. Donar stelde zich tevreden met Thialfi en
Röskwa, die hem sedert als getrouwe dienaars vergezelden.
Toen Donar en de reus Hrungnir elkander tot een twee-
gevecht hadden uitgedaagd, maakten de reuzen, uit vrees, dat
hun voorvechter het onderspit zou delven, een kolossalen man
van leem, dien zij Möckurkalfi noemden. Hrungnir had een
hart van steen; ook zijn hoofd was van steen, evenals zijn
schild, dat hij vóór zich hield. Zijn wapen bestond uit een groo-
ten slijpsteen, dien hij op zijn schouder droeg. Toen Donar en
Thialfi genaderd waren, en laatstgenoemde tot Hrungnir zeide,
dat deze slecht beschut was, daar Donar hem wel beneden
het schild kon treffen, wierp de reus het schild neder, ging
erop staan en nam toen den gevaarlijken slijpsteen in de beide
handen. De strijd begon. Thialfi viel Möckurkalfi aan en
Donar wierp Miölnir met azenwoede uit de verte naar Hrung-
nir, Tegelijk wierp deze zijn ontzaglijken steen, die te midden
van zijne vaart zoodanig door Donar's hamer werd getroffen,
dat hij in tweeën brak. Het eene stuk viel op de aardeen
daaruit zijn de slijpsteenrotsen ontstaan, maar het andere
drong met zulk eene kracht in het hoofd van Donar, dat
deze voorover ter aarde stortte. Miölnir had ondertusschen
Hrungnirs hoofd verbrijzeld en daarop was de reus nederge-
ploft, doch zóó, dat zijn voet op Donar's hals terecht was
gekomen. Thialfi, die inmiddels Möckurkalfi had verslagen,
poogde vruchteloos Hrungnirs voet van Donars hals te trekken,
en evenmin vermochten het de azen, die ter hulpe waren
toegesneld. Eindelijk kwam Donar's zoon Magni, die eerst
drie winters oud was, en deze slaagde erin zijn vader te be-
vrijden. Donar ging nu naar huis, maar het stuk slijpsteen
stak nog steeds in zijn hoofd. Hij liet de waarzegster Groa,
de vrouw van den vermetelen Oerwandil, bij zich komen. Zij
zong hare tooverliederen, en weldra had zij het daarmede
zoover gebracht, dat de slijpsteen in de opening van Donar's
hoofd heen en weder bewogen kon worden. Verheugd over
deze uitwerking wil Donar de waarzegster voor de aanvanke-