Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
62
De wolf, die den band niet voor zeer sterk hield, liet er
zich mede binden en den eersten keer, dat hij zich uitrekte,
verbrak hij den band. De goden vervaardigden nu een nog
veel sterker band. Eerst wilde de Fenriswolf er zich niet
mede laten binden, maar toen de goden hem hadden voorge-
houden , dat hij zich aan gevaar moest blootstellen om be-
roemd te worden, voldeed hij aan hun verlangen, en na eenige
krachtige pogingen verbrak hij ook den tweeden band. Nu
vreesden de goden, dat zij er niet in zouden slagen, den wolf
geboeid te krijgen, maar Alvader zond Skirmir, den dienaar van
den wane Freyr, den god der vruchtbaarheid en der voort-
brenging , naar de dwergen, die in Sioartalfaheim (het verblijf
der zwarte elfen, gelijk Ljosalfaheim het verblijf der licht-
elfen was) woonden, om den band Gleipnir te maken. Die
band was uit de zes volgende bestanddeelen samengesteld:
de klank van de voetstappen der katten, den baard der vrouwen,
de wortels der bergen, de pezen der beren, de stem der
visschen en het speeksel der vogels. De band zag er zacht
en teer uit, doch was zeer sterk. Toen nu de azen den Fèn-
riswolf voorstelden, hem met dien band te binden, zeide hij:
de band ziet er zoo zwak uit, dat het voor mij geene eer
zal zijn hem te verbreken; is hij echter met list en bedrog
gemaakt, dan komt hij niet aan mijne voeten. De azen ant-
woordden, dat hij dien band wel zou kunnen breken, maar
dat zij, in geval hij het niet kon, hem dan wel zouden ont-
binden. De wolf verklaarde, dat hij weinig vertrouwen in
die belofte stelde, doch indien de azen het eerlijk meenden,
moest een hunner de rechterhand maar tot onderpand in zijn
muil leggen, en dan konden zij hem binden. De azen keken
elkander aarzelend aan, totdat Tyr zich aanbood zijne rechter-
hand in den muil van den Fenriswolf te leggen. Toen deze
gebonden was, begon hij te rukken, maar hoe meer hij rukte,
des te vaster en steviger werd de band. iVllen lachten, be-
halve Tyr, wien de wolf de hand afbeet. De azen bonden
den Fenriswolf aan de rots Giöll, en daar hij vreeselijk naar