Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
61
in de hand h'ep hij regelrecht naar den Kinderstam en stiet
het er tot het gevest in. Niemand waagde het den
man aan te spreken, maar hij zelf sprak: //Wie dit zwaard
uit den Kinderstam trekt, dien zal het toebehooren, en hij
zal bekennen, dat hij nooit een beter zwaard in de hand had."
Toen verliet de man de zaal, en niemand wist, wie hij was,
noch waar hij heen ging. Nu beproefden allen het zwaard
uit den Kinderstam te rukken, maar het bewoog zich niet,
totdat Sigmund, Wölsung's zoon toetrad en het zoo gemak-
kelijk eruit trok, alsof het los voor hem lag. Met dit zwaard
won Sigmund menigen slag, maar toen hij 'op zijn ouden
dag weder ten strijde was getogen, trad hem een man met
een breeden hoed en een blauwen mantel in den weg; hij
was eenoogig en hield in de hand eene speer, op welke Sig-
mund zijn zwaard stuk sloeg. Sigmund sneuvelde in dien
strijd.
Wodan had vele bijnamen. Als krijgsgod wordt hij het
woedende heir en de wilde jacht genoemd. Men hoort hem
met zijne scharen als de stormwind door het woud huilt.
Loki had behalve Hel nog twee andere kinderen: de Mid-
gardslang en de Fenriswolf. Toen de goden te weten kwamen,
dat dit drietal in Jötunheim opgroeide, beval Alvader, het
voor hem te brengen. Daarop wierp hij Hel in Niflheim,
en gaf haar de heerschappij over Helheim, waar allen heen
werden gezonden, die van ouderdom of ziekte waren ge-
storven; de Midgardslang wierp hij in de zee, die alle
land omspoelt, en daar werd het monster zoo groot, dat het
al het land omgaf en den staart in den bek nam. De Fen-
riswolf werd echter door de goden opgevoed, ofschoon slechts
één hunner Tyr (Tjs) den moed had, tot hem te gaan en
hem eten te geven. Maar toen zij zagen, hoe de wolf met
den dag grooter en sterker werd, en allerlei voorze^ingen
erop wezen, dat hij ongeluk over hen zou brengen, besloten
zij een zeer sterken band te maken. Daarna verzochten zij
den Fenriswolf eens te beproeven, of hij den band kon breken.