Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
59
pervlakte der aarde, waar zij zich ophielden, te voorschijn
gebracht. In de Germaansche volksoverleveringen komen die
dwergen vaak.als kabouters voor.« Eer het goud ontdekt was
heerschte de goudm eeuw der onschuld. Door het goud
ging deze verloren. De voornaamste zalen, die zich in
Gladsheim bevonden, waren de Wingolf, het verblijf der
Azinnen, die allen in de geneeskunst uitmuntten, en het
Walhalla, waar de Walküren, jonkvrouwen van' onvergan-
kelijke schoonheid, die naar de slagvelden reden om de
ter dood bestemde strijders aan te wijzen, de gesneuvelde
helden heenbrachten. Daar werd dan het aardsche leven
voortgezet door dagelijks wederkeerende kampstrijden, na afloop
waarvan de helden zich aan den feestdisch zett'en, waarbij
zij door Walküren werden bediend. Met vreugde deed het
uitzicht op het Walhalla de Germanen den heldendood te
gemoet gaan, en om er eene plaats deelachtig te kunnen
worden, lieten grijsaards, die den dood voelden naderen, zich
de doodsrune snijden, dit is met eene frame eene woud toe-
brengen. Zij, die niet opgenomen werden in het Walhalla,
moesten afdalen in Helheim, het treurige rijk der schemering,
waar Hel, de afschuwelijke dochter van den reus Loki,
heerschappij voerde.
Behalve de reuzen en de azen behoorden ook nog de la-
ger in rang staande wanen en elfen tot de goden. Allen
stonden onder de heerschappij van het noodlot, dat men zich
voorstelde als de onherroepelijke gang der gebeurtenissen tot
in de verste toekomst, en dat vertegenwoordigd werd door
Alvader, den oorsprong aller goden, en de drie nomen: Urd,
Werdandi en Skuld, die de toekomst voorspelden. De nornen
hielden zich op aan de Urd-bron, welker water jeugd en
schoonheid verleende en nabij den wereldesch Yggdrasil ont-
sprong, die in de aarde wortelde en zijn kruin boven den
hemel verhief. Aan den voet des booms bevond zich eene
tweede bron, waarin wijsheid en verstand geborgen waren.
Dü eigenaar dier bron, de reus Mimir, was vol wijsheid, omdat