Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.55
den onvrijen stand der hoorigen of lUen werden gebracht.
De lijfeigenen werden niet hooger geschat dan het vee, en
waren het eigendom van hun heer, die hen kon verkoopen,
terugeischen , als zij ontvlucht waren, slaan, verminken en
zelfs dooden. Het stond den lijfeigenen niet vrij te huwen
zonder toestemming van hun heer. Huwelijken van lijfeigenen
met hoorigen of vrijen waren verboden. De kinderen van
lijfeigenen waren ook weder lijfeigenen. Wie eens anders
lijfeigene doodde, moest er diens heer de waarde van vergoeden.
Daarentegen moest de heer de boeten betalen, die op de
vergrijpen zijner lijfeigenen werden gesteld; hij had echter
het recht, in plaats van schadeverhoeding of boete te betalen,
den schuldigen lijfeigene aan den persoon, die door dezen
verongelijkt was, af te staan. Lijfeigenen mochten geen eed
voor het gerecht afleggen. Werden zij van eene misdaad be-
schuldigd, en kon hun heer geen eed te hunnen voordeele
afleggen, dan werden zij onderworpen aan de vuur- of de
waterproef. De vuurproef bestond daarin, dat zij met bloote
voeten over gloeiende kolen moesten loopen of eene gloeiende
staaf in de hand houden. Daarna werden de voeten of de
hand in zwachtels gewonden, en bleek het, dat er na
eenige dagen bij het losmaken der zwachtels geene brand-
wonden zichtbaar waren, dan werd de lijfeigene voor onschul-
dig gehouden. Bij de waterproef ging men op dezelfde wijze
te werk, nadat de beschuldigde met de hand een steen uit
een vat met kokend water had gehaald. Later werd de water-
proef aldus toegepast, dat men de handen en voeten van den
beschuldigde bond, hem in een stroomend water wierp en
toezag of hij dreef of zonk. In het eerste geval was hij schuldig.
Het lot der lijfeigenen hing dikwijls af van den arbeid, dien
zij konden verrichten. Het laagst aangeschreven stonden zij,
die zich met den geminachten veldarbeid bezighielden, hoo-
ger in aanzien stonden de handwerkslieden, zij, die huis- of
hofdiensten verrichtten, en zij, die het opzicht hadden over
de kudden, of met eenig beheer belast waren. Door zijne