Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.u
Wanneer een geslacht te talrijk was geweest om zich in
één dorp te vestigen, dan had het eene door natuurlijke gren-
zen bepaalde landstreek of gouw in gemeenschappelijk bezit
genomen en daarin twee of meer dorpen gesticht, die in alles
gelijke rechten hadden. Ontstonden nu in zulk eene gouw
nieuwe dorpen, dan kwamen deze onder de gemeenschappelijke
voogdij van de eerst gestichte.
Het toenemen der bevolking deed ook nog op eene andere
wijze ongelijkheid in de bezittingen en de persoonlijke rech-
ten ontstaan. Wanneer al het bouwland in eene mark onder de
markgenooten was verdeeld, en een vader kwam te sterven, dan
werd het hem toegewezen deel door zijne zonen geërfd. De
dochters waren echter van de erfenis uitgesloten, en de zonen
kregen geen gelijk aandeel: meestal was de oudste, somtijds
echter de jongste zoon de hoofderfgenaam. Bij veel volksstam-
men was echter de oudste zoon de eenige erfgenaam. De overige
zonen waren dan verplicht te verhuizen, maar indien zij dit niet
wilden, gaf hun broeder hun wel eens een deel van het
vaderlijk goed in gebruik, waardoor zij dan echter van hem
afhankelijk werden. Waren de voor een enkel huisgezin be-
rekende hoeven en akkers niet langer voldoende, doordien het
ledental toenam, en wilden of konden de overtollige leden
zich niet vreedzaam vestigen in de eigene of in eene vreemde
mark, zoo schoot hun niets anders over dan hun geluk in
den oorlog te beproeven. Somtijds deden zij het te land,
somtijds ter zee. Steden met muren, van torens en gemet-
selde poorten voorzien, gelqk de Romeinen die bouwden,
werden door de Germanen voor bolwerken der slavernij en
graven der vrijheid gehouden. Daarom waren zij gewoon der-
gelijke steden, als zij ze veroverden, te verwoesten en de
inwoners, voor zooverre die gespaard bleven, over het land
te verstrooien. De overwonnen volken moesten, naarmate zij
meer of minder tegenstand hadden geboden, bf hun land ge-
heel aan de overwinnaars afstaan en lijfeigenen worden, of
het althans met hen deelen, in welk geval zij dikwijls tot