Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.52
Aanvankelijk hadden alle markgenooten gelijke rechten.
Zij kozen één hunner tot voorzitter (veelal graaf genoemd)
en waren verplicht elkander bij te staan, in het leger naast
elkander te strijden, en op gemeenschappelijke kosten aan
vreemden, die zich in de mark ophielden, gastvrijheid te
bewijzen. Indien er in de mark twist ontstond over de gren-
zen der akkers, de verdeeling der landerijen, het beschadigen
der omtuiningen of van ander eigendom, het verwoesten van
den oogst op het veld door vee, dat niet behoorlijk werd
bewaakt, het verontreinigen van bronnen of ander drinkwater,
het belemmeren van het begaan der openbare wegen en an-
dere overtredingen, werd er ter handhaving van den mark-
vrede recht gesproken, onder voorzitterschap van den graaf.
Het vonnis werd geveld door alle bij de rechtspraak aanwe-
zige markgenooten, die niet in de zaak betrokken waren. De
rechtspraak had alleen plaats ten gevolge eener aanklacht van
den verongelijkte: zonder aanklager geen rechter. Was er
een moord bedreven, dan bleef de moordenaar ongestraft,
indien hij niet werd aangeklaagd door een der bloedverwan-
ten of vrienden van zijn slachtoffer. Meestal geschiedde dit
niet, want de bloedverwanten van een vermoorde waren ver-
plicht die misdaad te wreken door den moordenaar of des
noods een van diens bloedverwanten om te brengen. Dit
heette de bloedwraak. Somtijds verzoende de moordenaar
zich met de bloedverwanten van zijn slachtoffer, door het
betalen van zoengeld. De straffen, die opgelegd werden, waren
zeer barbaarsch. In verschillende marken was bepaald, dat
als iemand den bast van een boom aftrok, hem de buik
moest worden opengesneden, waarna er een stuk darm uit
moest worden getrokken en aan den stam bevestigd; vervol-
gens liep men met het slachtoffer om den boom, zoolang hij
darm in zijn lijf had. Wie opzettelijk brand stichtte in de
mark werd in eene ossenhuid genaaid en dan op drie pas
gelegd van de plaats, waar het vuur het hevigst brandde,
opdat hij weldra te midden der vlammen zou liggen. Was