Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.51
sehe geslachten eene geschikte landstreek in gemeenschappelijk
bezit. Van zulk eene aan een geheel geslacht toebehoorende
landstreek, mark geheeten, ontving ieder huisvader oladels-
man (edelman) langs den weg, die naar het bouwland, de
weiden en'de bron of eenig water voerde, een stuk, groot
genoeg om er eene van een hof omgeven woning {hof oi hoeve)
op te bouwen. Gewoonlijk werd rondom het stuk land,
waarop de hoeve stond, eene sloot gegraven, aan welker bin-
nenzijde van de opgeworpen aarde een wal ontstond. Aldus
verrees in iedere mark een dorp, waarvan de huizen alle van
elkander gescheiden waren. De dichtst bij het dorp gelegen
grond werd tot bouwland gebruikt, want door vaste woon-
plaatsen te nemen waren de Germanen, die vroeger voorna-
melijk van hunne kudden koeien en schapen hadden geleefd, wel
verplicht geworden, zich meer op den landbouw te gaan toeleg-
gen. Van dien bouwgrond kreeg ieder huisvader een akker voor
één of meer jaren in gebruik. Nadien tijd werden de akkers
opnieuw verdeeld, en daar de landbouw zich nog op een zeer
lagen trap bevond, liet men iederen akker, naarmate van de
gesteldheid van den grond, om de drie of vijf jaren braak
liggen. De weiden en wouden, die den bouwgrond omgaven,
bleven in gemeenschappelijk gebruik. De markgenooten konden
bovendien in de wouden vrij jagen en in de wateren, die tot
de mark behoorden, vrij visschen. In moerassige of bergachtige
streken, of ook in gekapte deelen van een woud, waar geene
ruimte of geen voedsel voor velen werd aangetroffen, werden
ook wel op zich zeiven staande hoeven gesticht. In lateren tijd
werden zij bijvang (omvang) genoemd, omdat zij dikwijls om-
tuind waren, ten einde ze van marken af te scheiden. Somtijds
lagen die hoeven dicht bij elkander en vormden een dorp, zon-
der gemeenschappelijk grondbezit. Vele dorpen waren door eene
sloot en een aarden wal omgeven. De scheiding tusschen twee
aan elkander gelegen marken werd door grenssteenen of grens-
boomen aangewezen, somtijds ook door een aarden wal, land-
weer geheeten, die tevens ter rèrdediging van de mark diende.