Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.49
en zooveel volken der Oudheid, hunne kinderen om te bren-
gen, wanneer het moeilijk viel hen te onderhouden. Menige
stam zag zich daarom verplicht geheel of gedeeltelijk op te
breken, en zich elders te vestigen. Dikwijls kon dit niet
anders geschieden, dan door reeds gevestigde Germanen te
verjagen, die dan op hunne beurt weder met geweld eene
bewoonbare streek in bezit moesten nemen, wanneer zij geen
onbezet wei- of bouwland aantroffen.
De Germanen leefden zeer eenvoudig. Hun voornaamste
middel van bestaan was veeteelt met een weinig landbouw
verbonden. Hun hoofdvoedsel bestond uit dikke melk, veld-
vruchten en wildbraad; hun geliefkoosde drank was een uit
gerst of tarwe bereid bier, dat meer bedwelmend dan smakelijk
was: Tacitus vergeleek het met bedorven wijn. Bij de aan-
zienlijksten vond men eenige welvaart en beschaving, over
het geheel echter was de bevolking arm. Veeziekte en slechte
oogsten waren niet zelden oorzaak, dat velen van honger
stierven. Het algemeene en bij de minst gegoeden eenige
kleedingstuk was een lijfrok van linnen of dierenhuid, die
op den linkerschouder met een gesp of bij gemis daarvan
met een doorn werd vastgemaakt. De aanzienlijken droegen
onder een mantel een korten lijfrok met mouwen, en de vrou-
wen een langen zonder mouwen; de lijfrok werd met een
gordel om de middel bevestigd. De hoofd wapenen der Ger-
manen bestonden uit een schild, pijl en boog en de framê,
die èn als werpspies, èn als lans gebruikt kon worden. Meestal
trokken zij met een dunnen krijgsmantel, zelden met helm
en pantser ten strijde; maar gaarne hadden zij in den krijg
de huid van den kop van een verscheurend dier tot hoofd-
bedekking. Hunne hoofdmacht bestond in voetvolk, doch
zij hadden ook ruiterij. Terwijl de meer welgestelde man
zich bijna uitsluitend bezighield met wapenoefeningen enden
krijg, en in zijn vrijen tijd ter jacht ging of deelnam aan
drinkgelagen, die niet zelden met een tweegevecht van in
twist geraakte feestvierenden eindigden, had de vrouw het
II. 4