Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.514
of den oorlog. Slechts zij, die den eed van trouw aan den
vorst hadden afgelegd, waren verplicht met hem ten strijde
te trekken, de anderen schaarden zich echter gewoonlijk ook
onder zijne vanen, in de hoop op buit of eene belooning.
De vrijen, die geen grondbezit hadden, waren verdeeld in
stadbewoners, kooplieden en landlieden, waarvan sommigen
vorstelijke landerijen in pacht hadden. Door verschil in af-
komst en in rijkdom ontstonden er in de steden standen met
bizondere voorrechten. Sedert men het belang van den han-
del leerde inzien, werden vreemdelingen voortdurend begun-
stigd, en stegen zij steeds in aanzien. Evenals elders werden
krijgsgevangenen tot lijfeigenen gemaakt. Hun aantal nam
voortdurend toe, niet alleen door het oorlogsrecht en de ge-
woonte , dat kinderen van lijfeigenen insgelijks onvrij waren,
maar ook door verkoop. Tijdens den grooten hongersnood
van 1024 verkochten een groot aantal mannen hunne vrou-
wen als lijfeigenen om het leven te kunnen behouden, en in
1128 stonden eene menigte armen, door den nood gedron-
gen, te Nowgörod hunne kinderen aan vreemdelingen af.
Bovendien kon iemand slaaf worden door werk op zich te
nemen, dat slechts lijfeigenen verrichtten, en door een rech-
terlijk vonnis, b. v. wegens het niet betalen zijner schulden.
De geestelijkheid was verdeeld in kloosterlingen en wereld-
lijke geestelijken. De eerstel* genoten het meeste aanzien,
omdat zij zich voordeden als afstand gedaan te hebben van
alle aardsche genietingen; de laatsten waren minder geëerd,
omdat hunne onwetendheid en losbandigheid zoo vaak aan
't licht kwamen. Aan het hoofd der Eussisch-Grieksche kerk
stond de metropolitaan, die, als de bisschoppen hem verko-
zen hadden, door den patriarch van Constantinopel gewijd
moest worden. Op de keuze had echter de grootvorst niet
zelden invloed, en sedert de twaalfde eeuw kwam het meer-
malen voor, dat de wijding achterwege bleef. Het aanzien
en de macht van den metropolitaan waren zeer groot. Hij
wijdde de bisschoppen, die door de vorsten gekozen werden,