Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.513
gedeelte van den adel, de partij der Quitzows, wilde keizer
Sigismund niet als markgraaf erkennen, en daarop schonk
deze de mark aan den bekwamen Frederik Van Hohenzollern,
(1415), die de grondslagen legde van de macht, welke Bran-
denburg sedert verkreeg.
De adel en de steden in Pruisen werden de heerschappij
der Orde zóó moede, dat zij de hulp van den Poolschen
koning Kasimir II tegen haar inriepen. Er volgde nu een
wreede en bloedige oorlog, die dertien jaar duurde en ein-
digde met den afstand van West-Pruisen aan Polen (1466).
De Orde moest bovendien de leenheerschappij van Polen over
Oost-Pruisen erkennen en verlegde haar zetel van Marïënburg
naar Koningsbergen. Om zich tegen de Polen verder te kun-
nen handhaven, kozen de ridders der Orde van nu af een
Duitschen vorst tot hoogmeester. In 1511 werd Albrecht van
Brandenburg tot die waardigheid verheven.
Iwan Wasiljewitsch.
Na de verovering van Rusland door Batoe, den kleinzoon
van Dschengis Khan, had eene afdeeling Mongolen, bekend
onder .den naam van de Gouden Horde, er aan de oevers van
de Don een khannaat gesticht dat de overige gewesten van
Rusland in een toestand van afhankelijkheid hield. Bovendien
werden de Russen bestreden door de Polen, de Duitsche orde
en de Litthauers. Nadat de laatsten zich van de hoofdstad
Kiew hadden meester gemaakt, werd Moskou de zetel van
den grootvorst.
De grootvorst, die als onbeperkt gebieder tegenover zijne
onderdanen stond, koos uit de rijkste grondbezitters zijne
ambtenaren en de leden van zijn hofstaat. Zij droegen den
titel van Bojaren en vormden den hoogen adel. De edelen
leefden waarschijnlijk, vrij van belastingen, als onbeperkte ge-
bieders op hunne goederen en hielden zich bezig met de jacht
II. 33