Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.511
gen. Tegen de overstroomingen van de zee werden dammen
opgeworpen en langs de Weichsel dijken aangelegd, terwijl
niet alleen tot vermaak, maar ook tot welzijn des lands,
druk jacht werd gemaakt op wolven en beren. De Orde, die
zich als eigenares van het veroverde land beschouwde, wilde
uit beginsel de inwoners sparen. De getrouwen uit den adel,
de Withingen, behielden voor hunne goederen de oude allo-
diaalrechten; maar hun aantal was gering. Onder de weinige
inwoners waren er velen, die telkens tegen de Orde in ver-
zet kwamen, en dan werden zij van hunne bezittingen ver-
dreven, die de Orde in beslag nam. Daar bovendien het land
door de oorlogen zeer ontvolkt was, kon de Orde alle ridders,
die haar hulp hadden verleend, rijkelijk beloonen. In dezen
tijd werden er vele steden gesticht, die meerdere of mindere
voorrechten verkregen, doch de Orde verbond zich jegens alle,
geene bezettingen binnen hare muren te leggen en voor de
veiligheid van het verkeer te zorgen: rtfovers werden tot in
de meest afgelegen streken vervolgd. De Orde werd rijk door
de inkomsten der balijen en het verkoopen van landgoederen,
en machtig omdat de volkplanters en de ridders, die niet
tot de Orde behoorden, met de hun ondergeschikte boeren
tot krijgsdienst verplicht waren.
Ondertusschen ging de Orde voort met hare heidensche
naburen, de Litthauwers, te bestrijden, en uit verschillende
oorden van Europa, vooral uit Duitschland, sloten zich tel-
kens strijders bij haar aan, om in het beoorlogen der heide-
nen behulpzaam te zijn. Meestal bestond de strijd in stroop-
tochten en het bestormen, veroveren, verliezen en hernemen
van kasteelen j maar somtijds ook had er een groote slag
plaats. In 1870 liet de grootvorst Kynstoete, vertoornd over
eene wreede handelwijze der ridders, dezen aanzeggen, dat hij
den hoogmeester eerlang een bezoek zou brengen. Het antwoord
luidde, dat hij overeenkomstig zijn hoogen rang ontvangen
zou worden. Met Kynstoete verbonden zich de andere groot-
vorst der Litthauers, Olgerd, die met zijn zoon Jagello, den