Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.508
woonplaatsen van de oudere ridders der orde, die reeds tegen
de ongeloovigen hadden gestreden, en de oefenplaatsen der
jongere, die zich nog voor dien strijd moesten betwamen. Elk
huis of klooster had zijn kommandeur; een aantal kommande-
rijen waren vereenigd tot eene balije, aan wier hoofd een 6a-
lier ollandkommandeur sio'aA. De gezamenlijke baliers van een
land waren ondergeschikt aan een landmeester, en de geheele
orde had tot hoofd den hoogmeester. Tot ieder huis behoorden
een aantal ridders, die alleen in het volle genot van de rechten
der orde waren, een veel grooter aantal sermenten, die niet
tot den adel behoorden en als schildknapen dienst deden, met
de ziekenverpleging belast waren, of als landbouwers op de
goederen der orde leefden, eenige priesterbroeders, die met
de leiding der godsdienstoefeningen in de kommanderij belast
waren, en soms nog eenige mannen en vrouwen, die als donaten
of onderhoorigen het huiswerk verrichtten.
Eeeds in den aanvang der XlII^e eeuw had de Duitsche
orde ook huizen in Nederland. Sedert de XIY^e eeuw bezat zij
te Utrecht een rijk klooster, welks prachtige vertrekken en
zalen nog tot in de XVIII^e eeuw de vorsten en edelen her-
bergden, die de stad met een bezoek vereerden. Daar woon-
de de balier van Utrecht, die het toezicht hield op bijna
alle huizen der orde in Nederland, zooals te Middelburg,
Maasland, Leiden, Schoonhoven, Ehenen, Tiel, Doesburg
enz. Gedurende den tachtigjarigen oorlog ontkwam het
Duitsche huis te Utrecht aan de secularisatie der geestelijke
goederen; maar de orde ontaardde in Nederland geheel en
al. De leden gingen tot de Hervormde kerk over, en daar-
door vervielen de verplichtingen van persoonlijke armoede,
den ongehuwden staat, het verplegen van zieken, het bestrij-
den van ongeloovigen en het samenwonen in een klooster,
zoodat van dien tijd af de leden allen tot den adel behooren,
en zonder te letten op het oorspronkelijke doel, waarmede
in vorige eeuwen, schenkingen aan de orde zijn gedaan, nog
heden als Duitsche ridders hun aandeel ontvangen van de