Boekgegevens
Titel: Kleio: verhalen en schetsen
Deel: Dl. 2 Geschiedenis der Middeleeuwen
Auteur: Kollewijn, A.M.
Uitgave: Amersfoort: A.M. Slothouwer, 1880
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: F 337
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203496
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kleio: verhalen en schetsen
Vorige scan Volgende scanScanned page
.502
ven. Daartoe bracht hij niet alleen eene kostbare boekver-
zameling te Ofen bijeen, die helaas! twintig jaar na zijn
dood door de Turken is vernield — maar wijdde hij ook
zijne aandacht aan tuinzaden, kaasbereiding enz. Van de
verbeteringen, die hij door zijn krachtigen geest onder de
Magyaren tot stand had gebracht, ging onder zijne onbe-
duidende opvolgers weder veel verloren.
Polen.
Wladislav II, de eerste der Jagellonen.
Terwijl in de meer westelijk gelegen staten de adel met
zijne verschillende rangen uit het leenstelsel was ontstaan,
had de Poolsche adel, bij welke geen verschil van rang be-
stond , een geheel anderen oorsprong, namelijk: bloedver-
wantschap. Allen, die tot een zelfde geslacht behoorden, dat
een eigen, maar deelbaar en erfelijk grondbezit had, vormden
eene broederschap en voerden denzelfden naam en hetzelfde
geslachtswapen. Zoo waren er in Polen eene menigte broe-
derschappen , die gelijke rechten hadden, maar wier invloed
eenigszins afhankelijk was van de grootte van het grondbe-
zit, De leden eener broederschap hadden dezelfde rechten ,
kwamen allen op voor hare eer, en gevoelden zich verplicht
elkander met het zwaard ter zijde te staan. Wie een hun-
ner beleedigde, beleedigde de gansche broederschap. Niet
alleen de staat had met die broederschappen rekening te
houden , maar weldra ook de kerk. Die edelen, welke wei-
nig of geen grondbezit hadden, zochten geestelijke prebenden
te verkrijgen. Aanvankelijk waren de meeste geestelijken in
Polen Duitschers, die weinig belangstelden in den staat;
maar sedert het midden der dertiende eeuw begonnen de
armere edelen naar geestelijke betrekkingen te dingen, zoodat
er langzamerhand eene nationale geestelijkheid ontstond, en
de broederschappen zich ook in de kerk deden gelden.